pexels-photo-796605

Zondaag

De vriendin waarmee ik al 33 jaar (drie keer elf, joeksig!) mee bevriend ben, moest een paar seconden kijken voordat ze me herkende. Ik had een zwarte pruik met lampjes op en een goud geschminkt gezicht met een scheve krul in het paars hier en daar. Naast haar zat iemand met een prachtig geschilderd gezicht.
“Dit is de allereerste keer dat ik ooit iets heb geschminkt,” zei ik tegen de buurvrouw van mijn vriendin.
“Morgen gewoon alles goud en alleen nepwimpers,” zei ze.
Zeven zinnen laten hadden we het over de invloed van het brein op het lijf en het leven. Om ons heen aten mensen blokjes kaas en werd er bier gedronken, deinde de massa op en neer. Daarna gingen we weer verder: de man, ‘t Mannetje en ik.

Een half uur later stonden we in de Maaspoort. Op het podium speelde een saxofonist de sterren van de hemel, zong een man nieuwe versies van ouwe liedjes. Er stonden kinderen tussen de bandleden die dansten of rondkeken met in hun hand een koek of een zakje chips. Naast de saxofonist stonden twee kleine jongens met serieuze snoetjes de zaal in te kijken en mee te zingen. Volgens ‘t Mannetje is de Maaspoort zo gebouwd dat met de vastelaovend ze zaal zo omgegooid kan worden dat de bühne voor het publiek is en het publieksgedeelte voor de band. Wij waren ondertussen alweer halverwege onze bonnen. Voor me stond een oude mevrouw met een witte suikerspin en een witte bontjas. Ik zag mensen die twintig jaar geleden achter de bar van mijn stamkroeg in Venlo stonden, toen ik nog ieder weekend terug naar mijn ouders ging en dan thee dronk aan de bar voordat ik de bus naar het dorp pakte. Ik voelde me toen al een hele wereldreiziger. Nu logeerde mijn kind bij mijn ouders en keek ik naar de dansende kindjes tussen de muzikanten. En wie weet sta ik er over twintig jaar wel weer en dan denk ik aan toen ik daar stond met die kindjes en dat ik nog maar zo pas moeder was en dat ik dacht dat ik al een hele dame was, met mijn koophuis en auto en dagopvang en werk en belastingaangiften, de invloed van mijn brein op het nu.
Maar nu was de zondaag. En dat scheelde.

Een flits later stonden we buiten en was ‘t Mannetje aan het schmoozen met de mannen met de lange pluimen op hun muts en belanden de man en ik in de kroeg ernaast waar weer muzikanten aan het spelen waren alsof de wereld elk moment kon vergaan. Ik zwaaide naar iemand van de boekhandel en iemand die de zus is van iemand die ik ooit kende. Ze herkenden me niet, maar zwaaiden toch maar terug. Ooit ging iemand in mijn stamkroeg in Venlo elk jaar verkleed als Poolse boerin, ik hoorde pas dat hij dood is gegaan. De zaal deinde uit en kromp weer, met elke zin, met elke ademhaling, zoals soms op feestjes, als iedereen in de te kleine keuken is gaan staan. Buiten was het plein leeg. ‘t Mannetje schoof weer aan. We zongen alle liedjes.
We deelden kruidenbitter uit een platvink met de mensen naast ons.

De man en ik eindigden in D’n Gaaspiep, want ik wil altijd naar D’n Gaaspiep. Waar ‘t Mannetje was gebleven dat weet ik niet meer. We gingen binnen op een bankje zitten en keken naar de oude dames die dansten. Af en toe kwam er eentje voor ons staan en dan zongen we de teksten naar elkaar toe.

Zo kun je in een dag je leven aan je voorbij zien schieten en je hoeft er nog niet eens dood voor te gaan.

Nu zit ik op de bank, bij ‘t Mannetje die al de stad in is omdat hij op de wagen van de prins moet staan in zijn mooie pak. De man en ik zitten nog in trainingspak. Op de televisie schiet een vrouw alle gaten dicht.
Op Facebook vraagt Lean waar ik ben.
“Nog nurges,” antwoord ik.
Ik ga me maar weer eens in kostuum hijsen.

Het is alweer maandag.