We hebben veel gemeen

Ik heb al zes dagen de titeltune van Waku-Waku in mijn hoofd. Het begint ’s ochtends al, nadat de wekker is gegaan en ik nog doe alsof de wekker niet zojuist is gegaan. Naast mijn bed staat Ruth Jacott, ze heeft een glitterjas aan en een zwart broekpak. In haar hand een draadloze microfoon, waar ze in galmt. Daarna, aan het ontbijt zit ze tegenover me. Een ander pakje nu. Misschien dat van het Songfestival, maar ik weet het niet zeker. Steeds als ik goed wil kijken stopt ze met zingen en zodra ik me dan weer tot mijn boterham richt begint ze weer. Ik ken niemand die zo ingeleefd kan zingen over zwangere paarden en wat ze graag eten, niemand die pijn voelt als ze vraagt of ik mee wil waku-wakuën. In de trein snoer ik haar de mond met John Grant, maar als ik op een afspraak mijn oordopjes uitdoet staat ze achter de espressomachine. En tijdens het koken zit ze in de keukenkastjes, achter elk deurtje een andere haardracht. Haar volume is altijd het zelfde, nooit verandert ze haar tekst, Ruth is een steady zangeres. En als ik onder de wol kruip gaat het weer door, op stadionsterkte in mijn oor, nooit fluistert ze me in slaap, alsof er iets is in de kosmos dat me wakker wil schudden: we hebben veel gemeen met alle dieren om ons heen, we hebben veel gemeen met alle dieren om ons heen.
Ze zijn ons heel dierbaar.
Dierbaar.
We hebben veel gemeen.
We hebben veel gemeen.
En missen kunnen we er niet een.
Tot je op een dag gek wordt.