Voor ons Wilm

~Voorgedragen tijden de boekpresentatie van Park door Willem Claassen.~

***

“Joeri, ik weet niet waar ik moet beginnen met de speech voor Willems boekpresentatie,” zeg ik, terwijl ik over de bar hang. Ik wilde vandaag al eerder beginnen, maar mijn laptop hing beneden aan een tasje aan de bar en dus had ik eerst vijfenveertig minuten boven op het krukje in de keuken moeten zitten wachten tot ik beneden kon omdat die vervelende vaste gast die aan de bar zat maar niet wegging. Zo’n man die meteen met je gaat praten als je in een straal van een paar meter bij hem in de buurt komt en dingen zegt als “Zo? Hè? Wat hoorde ik gister aan de bar? Pas je niet meer in je lievelingsrok? Hè?”
Nu goed.
De speech.
Ik klap mijn laptop open.
“Gewoon ergens beginnen,” zegt Joeri.
Ik begin.

1.
De eerste keer dat ik Willem ontmoette was toen ik met Lea meeging die moest optreden in Huize Heyendaal. Ik schudde hem de hand en Willem deed zijn gebruikelijke aardige handschud-en-verlegen-doen-moove, waarna in alle waarschijnlijkheid Dennis het verhaal overnam.
Ach, ik doe flauw.
Als ik eerlijk moet zijn dan weet ik van de rest van de avond niet zo heel veel meer, alleen dat we later in de zaal allemaal, Dennis, Willem, Oscar, Bert, Lea en ik, als enige jonge mensen naast elkaar zaten en steeds de lach in moesten houden omdat een grijze dichter een gedicht voordroeg dat ging over hoe zijn gerimpelde geslacht zich traag ontvouwde terwijl hij naar jonge scholieres keek.

Misschien dat het daar wel begonnen is.
Toen.
Terwijl we iemand uit aan het lachen waren.
Het klinkt als ons.
Hoewel.

Dat klinkt niet als Willem.

***

Ik hang weer over de bar.
“Waarom doe je niet iets met dertig worden of met een platte kar?” zegt Joeri. “Of met zijn technisch inzicht? Of met meisjes?”
“Iets met meisjes…” zeg ik. De cursor knippert.
Ik denk dat iedereen in mijn omgeving al eens heeft geprobeerd om Willem aan iemand te koppelen.
“Dan trouwt ‘ie fijn de familie in!” riep pas iemand tegen me. “Hoe fijn zou dat zijn?”
Ik denk even na.
Joeri zet een koffie voor me neer.
“Nee, niet over meisjes,” zeg ik. “Willem is niet het telefoon-nummer-vragende-typ.”
Toch?

2.
Ik heb Willem aan de telefoon.
“Weet jij het nummer van Ilse?” zegt hij.
Ik weet het nummer van Ilse.
Ik begin de cijfers op te noemen.
“En dan 459.”
“457,” zegt Willem. “Oke. Dank je!”
“Nee!” roep ik. “459!”
“Grapje,” zegt Willem.
Het is even stil.
“Hahaha,” doet Willem.

***

Ik roer in mijn koffie en ik denk aan afgelopen zaterdag, toen ik Dennis tegenkwam, die stond te roken bij het Marikenbeeld op de Grote Markt.
Tja, je bent stadsdichter of je bent het niet.
Die van Gaens is een beter mens dan ik want hij begint, in tegenstelling tot die van Hendrix, altijd op tijd met dingen en pakt altijd alles gestructureerd aan.
“Wat schrijf jij voor Willem?” vroeg ik, terwijl ik mijn fiets tegen het standbeeld zette, over mijn achterwiel struikelde en naast hem ging staan. Vervolgens wierp Dennis in drie zinnen al meer goeie plannen voor m’n voeten dan ik zelf in drie weken had bedacht.
“Ik wil dood,” zei ik.
Ik kreeg een klopje op mijn rug.
“Komt wel goed,” zei die van Gaens.
“Ik wil niks meer horen,” zei ik. “Zul je zien dat we straks allebei hetzelfde schrijven.”
“Zolang je mijn quote maar niet steelt, vind ik alles goed,” zei die van Gaens.

“Ik wil dood,” zeg ik tegen Joeri.
“Je gaat niet dood,” zegt Joeri.

3.
“Ik ga dood,” zeg ik tegen Willem. We hangen tegen de muur van Generale Oost en wachten op Dirk.
“Jij gaat niet dood,” zegt Willem. “Ik ga dood.”
“Jij mag niks zeggen,” zeg ik. “Jij hebt een contract.”
“Jij krijgt ook een contract.”
“Bij de Bezige Bij,” zeg ik. “je hebt een contract bij de Bézige Bíj!”
Willem wuift wat met zijn hand. Hij mompelt wat.
Er fluit een vogel, een scooter rijdt langs, we kijken naar het winkelend publiek.
“Hoeveel woorden heb jij al?” vraagt Willem.
Ik noem het aantal woorden.
“Ik wil dood,” zegt Willem.
“Jij wil niet dood,” zeg ik.
Willem is een betere schrijver dan ik en dat weet iedereen, behalve Willem.
“Je bent een betere schrijver dan ik,” zeg ik.
“Niet waar,” zegt Willem.
I rest my case.

***

“Dennis heeft een hele goeie quote,” zeg ik tegen Joeri, terwijl ik nog steeds over de bar hang. Ik vertel de quote.
“Ai,” zegt Joeri, “dat is inderdaad een goeie quote.”
“Misschien had ‘ie beter Seb kunnen vragen, of Elske, of Johan Roos. Ja, ik zou zeker Johan Roos hebben gevraagd en niet mij. Of Seb. Of Elske.”
Ik leg mijn wang op het hout van de toog. Het hout is lekker koel, naast me waait de laptop een briesje in mijn nek. Achter me drinken twee giechelende meisjes warme chocomel en verder is de kroeg leeg.
Het is nog vroeg.
“Mag ik een wijn?” zeg ik.
“Helpt dat?” zegt Joeri.
“Nee,” zeg ik.
Joeri schenkt een wijn in.

4.
Willem, Seb en ik staan met een glaasje in de ene en ieder een fles champagne in de andere hand te kijken naar het vuurwerk.
“2012,” zegt Willem.
“2012,” zegt Seb.
“Aaaargh!” zeg ik.
“Jullie boeken!” roept Seb.
“Aaaargh!” doen Willem en ik.
We proosten.
“En dan volgend jaar ons Seb. De grootste schrijver van Nijmegen!” zegt Willem.
“Hoera!” roep ik.
“Hoera!” roept Willem.
“Hoe groot ook weer?” vraag ik.
“Twee meter twee,” zegt Seb trots.
We proosten.

***

“En nou? Ik kan toch niet alleen maar over meisjes en platte karren gaan schrijven?” roep ik naar Joeri die aan de andere kant van de bar staat en een meneer die van het terras komt een biertje geeft. “Dan wordt het zo’n pijnlijke speech. Zo eentje die je oom doet op je bruiloft en dat mensen dan zin krijgen om een stuk uit hun glas te bijten en daarna tegen die oom zeggen hoe leuk die speech wel niet was.”
Ik zucht.
Joeri schudt zijn hoofd.

5.
Facebook, statusupdate, dinsdag 13 maart.
Hanneke Hendrix schrijft een speech voor Willem en is al zeventien keer gestorven uit faalangst.

Dennis Gaens
om 16u41
Same here, same here.

Tim Pardijs
om 16u49
Ja, dat moet wel leuk worden natuurlijk. En diepzinnig. Liefst met een beetje humor. Vage humor. En waai moet erin. Warm ook. Er moet bewondering uit spreken, maar ook weer geen verafgoding. Nou. Ga d’r maar aan staan.

Dennis Gaens
om 16u53
Ik ga gewoon zeggenu “Goed hoor Willem, een boek. Leuk ook da het over het park gaat. En zo. Laten we erop drinken.” Ik ben van lange gedichten, maar van korte speeches.

Hanneke Hendrix
om 16u54
En dan zeg ik: wat Dennis zegt.

Hanneke Hendrix
om 16u55
O wacht, jij bent na mij.

Tim Pardijs
om 16u55
Nu al een succes

Xavier Teerling
om 17u35
Hou het simpel. Park, Park, Park, soep eet je met een hark. Klaar.

***

“Het komt wel goed,” zegt Joeri.
“Voordragen bij de presentatie van deel 2 van Strak met een roedel dronken Rotterdamse wolven als publiek die gewoon dingen naar het podium riepen, dat was een wandeling in het park vergeleken met dit,” zeg ik.
“Hihi, Park,” zegt Joeri.
Ik leg mijn hoofd weer op de bar.
“Ik ben die oom op de bruiloft!” roep ik. “Ik ben die oom!”

6.
In het begin waren we met z’n drieën.
Of nee, in het begin waren we alleen.
Of ja, niet echt alleen, ach, u snapt wel wat ik bedoel.
Toch?
Het was de tijd dat er nog mensen weblogden en Dennis, Willem en ik hadden alle drie een weblog. Ook probeerden we alle drie wedstrijden te winnen, iets wat meestal alleen Dennis lukte, maar goed, dat geheel terzijde.
We lazen elkaars blog, let wel, dit was nog vóór de sociale media, in een tijdperk hier ver, ver vandaan en op een dag besloten we om een boekje te maken.
En toen zaten we ineens in de kroeg.
En toen hadden we een tijd later bij de Wintertuin een boekje.
En toen waren we het Nieuwe Zwart, of ‘t Neije Swert, zoals we het tegenwoordig noemen.
En toen kwam de Literatur Jugend en toen kwam Waai en nu zijn we ineens met heel veel.
“Wat hebben we het hier toch goed, hè?” zeggen we vaak tegen elkaar, want we hebben het ook goed, hier in Nijmegen.
Deze week was Willem op TV Gelderland. Alex twitterde naar me dat mijn naam was genoemd, maar toen ik de aflevering nakeek en er blij van werd, realiseerde ik me dat het me helemaal niet kwam door die naam van mij, maar ik werd zo gelukkig werd van het feit dat Willem zei dat we hier niet gewoon maar wat schrijvers zijn, hier in Nijmegen, maar dat hij ons een vriendengroep noemde.

En ook nu is iedereen er.

***

“Jezus Joeri, het lijkt wel een begrafenis zo. Verschrikkelijk,” zeg ik nadat ik voorlas wat ik had geschreven.
“Hou nou eens op met zeiken,” zegt Joeri. “Gewoon afronden die handel. Gewoon zeggen waar het om gaat.”
De kroeg loopt vol.
Juist.
Afronden.

7.
Willem.
Iedereen is er.
We zijn er allemaal.
En we zijn er zelfs niet allemaal, we zijn met nog veel meer dan allemaal.
En één ding kan ik met zekerheid zeggen: iedereen hier is oprecht blij is dat je boek er is en iedereen hier is met heel z’n hart trots op je.
Willem, ik ben supernieuwsgierig naar Park.
Ik verheug me er al op sinds de eerste keer dat we riepen dat we dood wilden.
En ik verheug me ook al op je volgende boek en op het boek daarna.
Maar voor nu:
Op Park!
Laten we er allemaal gaan wonen!