Twaalf dingen die plaats hadden toen ik van Nijmegen naar Maastricht naar Amsterdam naar Nijmegen moest

1. Thuis kijk ik of alle treinen rijden. Alle treinen rijden. Op het station aangekomen rijdt mijn trein niet en de emmer koffie die ik kocht is slap. Het regent en het is heiïg. Mijn lievelingsweer.

2. Op het perron van mijn volgende reismogelijkheid komt een ouder echtpaar met rolkoffers aangelopen. Als de man zich posteert laat de vrouw haar koffer bij hem staan en wandelt ze verder. Eerst moet ik nog kijken of ze wel echt bij de meneer hoorde, dat ze niet iemand blijkt te zijn die met een bom station Nijmegen wil opblazen. Zul je net zien, echt iets voor mij, dat ik doodga omdat mijn trein niet reed. Dat ik doodga met een enorme beker slappe koffie in mijn hand. Opgeblazen door een babyboomer.
Ik volg de vrouw. Misschien zoekt ze een prullenbak of de gele borden. Ze loopt naar het einde van het perron en daarna loopt ze weer terug, zegt ze wat tegen de meneer en loopt ze weer het perron af. Ik denk na. Misschien heeft ze etalagebenen. Of was dat nu juist als je stil moest blijven staan? Ja, dat was als je stil moet staan van de pijn in je benen. Misschien heeft ze ook wel, net als ik, omdat ze te dik werd een stappenteller gekocht. Ik bestudeer haar als ze weer voorbij loopt. Netjes in de vloeibare make-up, sjaaltje om, keurig gewatteerd jackje, beige sneakers: ze oogt niet als een vrouw die ooit te dik werd.
Het moet iets medisch zijn.
In de trein ga ik bij ze in de buurt zitten, in de hoop op informatie, maar ik kan ze net niet verstaan.

3. Naast me zit een docent Grieks schriftelijke overhoringen na te kijken. Daarna rekent ze de punten per student uit. Sofie heeft een 9,8 en Sander een 1,2. Ik haat Sofie: altijd maar roepen dat ze “echt wel een onvoldoende” heeft omdat ze “echt helemaal niet geleerd” had.

4. In de trein tussen Utrecht en Amsterdam is iedereen knap, met baardjes en knotjes en blauwe maatpakken en mooie haren en broeken die in de taille uitkomen zonder dat het lijkt alsof ze zwanger zijn en grote jassen en ik denk: ik moet ook een grote jas kopen. Ik kijk op mijn stappenteller. Op veel dagen zet ik minder stappen dan een bejaarde.
Vandaag ben ik op de goeie weg.

5. In Amsterdam val ik voor een stoplicht van mijn OV-fiets. Ik weet ook niet hoe het kwam. Het zadel is stroef en raar en ik wring me op mijn eigen omafiets nu al twee jaar tussen het kinderzitje en mijn zadel door, iets dat maar op één manier kan, zodat ik mezelf een hele onorthodoxe manier van op- en afstappen heb aangeleerd.
Gelukkig rijden er geen auto’s.
Klote provinciaal, zie ik de andere fietsers denken, op je klote OV-fiets.
Een meisje helpt me overeind.
“Ik wist ineens niet meer hoe ik moest afstappen,” zeg ik, de gêne weglachend.
Ze lacht niet terug.
“Dank je,” zeg ik.
Ze knikt en loopt verder.
Een mimiekloos meisje.
Misschien heeft ze ook wel een aandoening, want anders snap ik het niet.

6. Daarna moet ik vier straten lang door zwermen toeristen heen fietsen. Er is geen stad in Nederland waar ik me zo Nederlands voel als in Amsterdam. Een man met een Go Pro op zijn pols springt opzij omdat een scooter voorbij raast, drie meisjes die gekleed zijn op een fiks Poolklimaat staan giebelend op een vluchtheuvel te gillen naar elke fiets, alsof ze op een eilandje in een oceaan vol haaien staan. Dan zie ik Tom Egbers en meteen daarna die ene van The Opposites. Groepen mensen splijten uiteen en komen weer samen, ik hoor duizend talen. Mijn knie klopt en ik zie alles superscherp. Misschien moet ik vaker van mijn fiets donderen.

7. Steeds denk ik dat ik mensen herken. Mensen waarvan ik denk dat ze van vroeger zijn, mensen waarbij ik twijfel of ze van vroeger zijn of dat ik ze herken van tv. (Met uitzondering van Tom Egbers en die van de Opposites dan, natuurlijk).
Misschien word ik wel gek.

8. Op de terugweg val ik weer bijna van mijn fiets. Vloekend fiets ik verder naar het station.

9. Bij een stoplicht staan twee mensen op een Segway te praten alsof ze niet op een Segway staan. Alsof niet iedereen denkt: O god, daar heb je twee mensen op een Segway. Maar goed, ik mag niks zeggen want ik ben vandaag al twee keer van mijn fiets gevallen, ook al voel ik me in Amsterdam altijd zo heel erg een Nederlander. Misschien is dit wel het punt vanaf waar het allemaal mis gaat met mij. Zeggen we later: Ja, en toen je van die fiets viel steeds, toen had er toch wel een belletje moeten gaan rinkelen.

10. Was ik maar Sofie.

11. Het is niet druk in de trein naar Utrecht. Er zijn veel zitplaatsen vrij, dus ik merk het pas laat als een vrouw naast me haar keel schraapt. Ze knikt zuur naar mijn tas. Ik til mijn tas op. Zuchtend pakt ze een stukje van mijn sjaal, tussen duim en wijsvinger alsof het een vaatdoekje is waarvan ze niet meer weet hoelang het er al ligt en of iemand daar ook de vloer mee heeft gedaan, en laat het op mijn schoot vallen. Ik glimlach. “Dank je,” zeg ik.
Mensen die uit principe op de stoel willen zitten waar een tas op staat: ook voor hen is er een plekje in het Rijk Gods.

12. Op het perron waar ieder moment de trein naar Nijmegen kan aankomen zie ik drie mensen voorbij komen waarvan ik eerder vandaag dacht ik ze van vroeger kende. Ik heb zin om naar ze te zwaaien. Om te roepen: kijk, ik ben niet gek! Jullie zijn echt!
Maar ik doe het niet.
Ik ben niet gek.
Nog niet.
Ik zeg niks.
Eenmaal in de trein ziet iedereen eruit zoals ik.
Bijna thuis.