ball-field-grass-114296

Sjraar

Woensdag ‘s middags train ik de Ceetjes. Ik train de Ceetjes al een jaar of vier en ik doe het graag. En ook best wel goed. Ik vind, je mag jezelf best eens een pluim geven. Dan zeg ik, Sjraar, je doet het goed. Een positieve kijk op het leven is belangrijk. Dat probeer ik de Ceetjes ook bij te brengen. Dus niet afkatten als er eens een fout wordt gemaakt, maar juist zeggen van: “Nou, de volgende keer doe je het heus goed”. Want van fouten leert men. En bij goed krijgen ze een van m’n pluimen. Dan spreid ik mijn vingers en dan zet ik mijn duim als de stam van een boompje op hun hoofd. Dan denk ik, kijk, zo groeien ze. En dat boompje, dat symboliseert juist het groeien van die jongens.
Ik doe het denk ik wel goed.

Soms dan kijk ik naar mijn vriendin en dan moet ik slikken. Moet ik gewoon slikken. Want mijn vriendin is een aardige meid. Ze is rustig en dat is wat ik zoek in mijn vriendin. ‘s Avonds dan kijken we samen op de bank naar de televisie. Het was anders, ooit. Toen van voor de Ceetjes, van voor mijn vriendin. Want vóór de Ceetjes en vóór mijn vriendin deed ik niks. Ik zat thuis voor de Tellsell en ik dronk blikjes Schultenbräu bij mijn boterhammen met leverpastei. En friet. De frietpan stond alle dagen op het aanrecht.

Toen moeder stierf liep ik niet graag lang tussen al die schappen en die vreemde mensen. Maar ik ging, ik moest toch mijn eten en mijn bier hebben. Zonder bier ging ik trillen. Dat zag ik aan de afstandsbediening en dan moest ik naar buiten. Moest ik er op uit. Mijn handen schudden dan zo, dat ik bijna niet het sleuteltje in het fietsslot kreeg. Gauw naar de Aldi, ik ging altijd naar de Aldi. In de Aldi lopen de mensen tenminste niet zo met de neus omhoog als bij de Albert Heijn. Daarbij hoefde ik toch niks luxe als cervelaat of Franse kaas. Maar eenmaal bij de kassa zag ik mezelf dan staan, met twee dozen Schultenbräu en een zak friet en een brood en vier bolletjes leverworst. Dan dacht ik aan moeder. Hoe ze zou zuchtten. “Oh Sjraar,” zou ze zeggen en naar haar wenkbrauwen kijken. Moeder keek liever naar haar wenkbrauwen dan naar mij. En dan fietste ik weer terug.
Maar op een dag begaf het canvas van de linkertas het en rolden al mijn blikjes Schultenbräu over de straat. Reed ik ook nog met mijn achterwiel over een van de bolletjes leverworst heen, die de blikken bier achterna stuiterden. Allemaal paté aan mijn fiets. Iedereen die voorbij kwam moest lachen.
En ineens zag ik twee schoenen met benen naast me. Ik keek op. Er bleek een man op de benen te staan, hij bukte als een knipmes. Zonder een woord raapten we het bier van de straat. Met de armen vol blikken liepen we terug naar mijn fiets met de kapotte fietstas.
“Ik loop wel mee. Woon je ver?”
“Om de hoek.”
“Prima.”
En zo liepen we naar huis. Sjon en ik.

Sjon die bleef. Hij praatte met me, haalde de boodschappen bij de groenteboer en de slager en als we een pilsje dronken dan deden we dat samen. Langzaam veranderden de blikjes bier in pijpjes en die pijpjes die veranderden in koffie. Heel langzaam aan. Soms vroeg hij of ik mee wilde helpen met koken. En dan hielp ik. Boodschappen gingen we samen doen en dan zag ik hoe Sjon een praatje maakte met de slager en het meisje van de bakkerij. Ik merkte dat ze mij ook groetten als ik eerder binnen kwam, als Sjon geld in de parkeermeter deed. Dus ging ik daarna alleen. Op de fiets, mijn canvas fietstas had Sjon geplakt met een stuk tentzeil.

Zingend trapte ik me op een middag een weg naar huis toe, want ik had met wat mijn vriendin zou worden gepraat. Gewoon over het rottige weer en haar winterdepressie. Dat het lastig was in een bakkerij te werken met een winterdepressie. Al die koolhydraten. “Die koolhydraten staan je goed,” had ik gezegd en ze had toen heel hard gelachen en me een gratis hamkaascroissant gegeven. Eenmaal thuis vond ik een briefje op de koelkast.
“Ik ben weg,” stond er.
Met het briefje in mijn hand heb ik voor het raam gestaan tot het donker werd. Toen ben ik gaan koken. De volgende dag heb ik gereageerd op het briefje dat op het bord bij de supermarkt hing. Ik mocht toen op woensdag de Ceetjes gaan trainen. Sjon had gelijk. Het ging prima alleen.

Nu mogen die luxe dingen wel. Smeert mijn vriendin zaterdag ‘s avonds toastjes met zalmsalade of kruidenkaas in de keuken. Ik zet dan de tv zachter om het getik van haar mes op een bord vanuit te keuken te kunnen horen. Of kijk ik naar hoe ze met haar hoofd schudt als ze telefoneert. Sta ik wel eens een uur in de deuropening en voel ik de wind die langs mijn wangen waait. Ik heb het goed, nu. En toch word ik ‘s nachts wel eens wakker. Zwetend. Mis ik de blikjes Schultenbräu met een frietje op de bank. Mis ik het staren en het denken. Mis ik de Tellsell reclames. Want nu vouw ik overdag dozen in de negerzoenenfabriek en praat ik met mijn collega’s als we koffie mogen om half tien en onze boterhammen eten aan lange tafels tijdens de middagpauze. Dan denk ik aan de benen van Sjon en zijn handen en hoe goed het voelde om hem om me heen te hebben. En dan draai ik me nog maar eens om en kijk ik naar het achterhoofd van mijn vriendin. Hoe haar slierten haar over het kussen vallen. Ik heb het goed, heus. Ik zeg altijd maar zo tegen de jongens: korstjes op wondjes die jeuken. Het is heerlijk om aan die korstjes te krabben, maar op een dag dan vallen ze er af en blijft er alleen maar een stukje glad vel over. Het glanst dan wel wat meer, denk ik er achteraan, maar het voelt toch ook wel weer hetzelfde als alle andere huid op mijn lijf.