Per trein

1.
Aan de andere kant van de lange glazen wand stond een zwerver in de zon. Hij stond met zijn ogen dicht in de warmte van de ochtendzon, het was een uur of negen. Ik liep aan de andere kant, binnen in het station. Het was een hele knappe man, dat viel me meteen op en ik vond het meteen vreemd dat me dat opviel. Waarom zouden zwervers niet knap kunnen zijn. Hij leek uit een reclame voor shag gelopen, iets met een cowboy, iets met the outback. Iets in hoe hij zijn handen hield verraadde hem, vertelde dat hij niet gewoon een woeste man was, niet gewoon iemand, maar dat er iets mis was, iets in hoe hij bijna onzichtbaar iets aan het mompelen was. Ondertussen scheen de zon alsof de wereld niet in elkaar aan het donderen was en hij stond daar maar, ogen dicht, lichte glimlach rond zijn mompelende lippen, handruggen naar de zon. Hij stond fier rechtop. Ik vertraagde mijn pas, zodat ik langer naar hem kon kijken, terwijl de rolkoffers om me heen ratelden. Toen schoof er een houten stalletje met daarin een spoorwegmevrouw mijn beeld in. Ze keek me aan, keek over haar schouder naar de meneer en keek me toen weer aan. Wat sta jij nou naar die arme man te kijken?. Dat zei die blik. Ik draaide snel mijn hoofd weg.
Toen ik verder liep schaamde ik me, terwijl ik, als ik er zo over nadenk, helemaal niets had om me over te schamen en die meneer helemaal niets deed waarmee hij betrapt kon worden.

2.
“Toch grappig,” zeg ik tegen het meisje van de koffie- en pastazaak. “Ik zie hier elke zaterdagochtend dezelfde mensen zitten.”
Ik geef zaterdagochtend les in Den Bosch en sta dus iedere zaterdagochtend om negen uur stipt een koffie te kopen op het station, ook al neem ik me iedere zaterdagochtend voor om dat niet te doen, want: teringduur die koffie.
“Die meneer in die stoel,” zeg ik. “Die zat er de laatste drie zaterdagen ook.”
Ik wijs naar de koffiebar naast de koffie- en pastatent. Het meisje leunt over de balie en kijkt.
“O ja, dat kan zeker kloppen.”
We kijken naar de man. Hij neemt tevreden een slok uit zijn mok.
“Maar hij zit er doordeweeks ook de hele dag.”
“O,” zeg ik.
“Tja,” zegt het meisje.
Ik dacht dat ik iets ontrafeld had. Een structuur had ontdekt waarin anderen entiteiten zich op dezelfde plekken begeven als waar ik me bevind. Iedere zaterdagochtend op het station bij de koffietent. Maar hij zit daar altijd.
“Er zijn heel veel mensen die hier een hele dag rondlopen,” zegt het meisje. “Iedere dag.”
“Dus jij ziet dat allemaal?” zeg ik.
“Ja,” zegt het meisje. “Allemaal.”
“Ik ben jaloers,” zeg ik. Ik pak de beker koffie op. Ik meen dat.
Het meisje haalt haar schouders op.
“Ach,” zegt ze.
Ach.

3.
In de trein vertelt een meneer aan zijn kleinzoon steeds opnieuw de route, want er mag natuurlijk geen stilte vallen. De jongen hangt in de treinstoel. Hij kijkt uit het raam.
“Nu zijn we in Nijmegen en dan zo meteen nog Oss en dan zijn we in Den Bosch. Het is een hele rit. Een hele rit. Maar eerst Oss. Ik vind het nog wel heiïg in Nijmegen, terwijl ik had verwacht dat zoiets rond deze tijd wel weggetrokken moest zijn. Maar goed, eerst Oss.”
De jongen kijkt en kijkt en kijkt en ik herken die blik wel, ik had die ook als puber, dan dacht ik aan hele andere dingen, fantaseerde ik over roem en rockbands en populair zijn en knap.
Pas zag ik het populairste meisje van de middelbare school lopen, ze zag er uit als een moeke, behangen met kinderen, ongelukkig en uitgeblust en ik dacht: als mijn dochter ooit zich ongelukkig voelt omdat ze geen roem heeft, niet in een rockband zit en niet populair is, dan vertel ik haar over dat moment. Niets verwijst echt vooruit naar wat komen gaat. Alles gebeurt maar gewoon. Een zwerver in de zon, de man die er altijd zit, dat gebeurt allemaal maar gewoon en stopt ook gewoon als dat de kosmos zo uitkomt. Ik kan daar veel te lang over nadenken.
Behalve het spoor.
De opa voorspelt alles juist. Steeds opnieuw.
“En dat was Oss, we zijn er nu bijna. Nog vijf minuten. Dan zijn we in Den Bosch. Dan zijn we er.”
“Eindelijk,” mompelt de jongen.
“Juist!” zegt de opa monter.
Juist.