Veertien uur the Lemonheads

Toen ik dertien was mocht ik met een vriendinnetje mee op vakantie naar het zuiden van Frankrijk, samen met haar moeder en haar stiefvader. Het was herfstvakantie en we gingen met de auto. Ik ging niet vaak op vakantie, mijn ouders hebben daar nooit heel veel aangevonden. Daarbij hadden we een huis met een grote tuin en een park om de hoek en het bos op tien minuten lopen, dus waarom zouden we ergens op de camping gaan zitten. Ik wilde graag op vakantie. Ergens heen. Andere kinderen ontmoeten.
Dat vond ik toen zo gecompliceerd, die leeftijd dat je jezelf en je leeftijdgenoten geen kinderen meer wilt noemen, dat je een nieuwe term moet gaan verzinnen voor bij elkaar spelen. Ik weet nog dat ik met mijn twee beste vriendinnen ervoor ben gaan zitten en dat we hebben vergaderd over een nieuwe terminage. We kwamen uit op bij elkaar langs gaan. “Kom jij donderdag anders bij me langs?” Dat klonk volwassen, maar betekende gewoon hetzelfde als spelen. Ik ben nog steeds heel erg tevreden over die benaming die we verzonnen. Slim, simpel en doelstreffend.
Hoe dan ook: ik mocht met Gem mee op vakantie. Het was een treurige familie, de familie van Gem. Haar ouders waren gescheiden in een vechtscheiding, haar broer had zelfmoord gepleegd en ze lag constant in de clinch met haar moeder. De stiefvader was een internist die weinig zei. Hij reed de wagen en Gem en ik zaten achterin met onze walkmans.
Na de eerste nacht in Gruissan wilde ik al naar huis. Ik heb dat toen niet gezegd, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om te vertellen dat ik het vreselijk vond, dat hele principe van vakantie. Later leerde ik dat vakantie ook iets is dat je moet leren, maar ik wilde gewoon thuis zijn, bij mijn broers en mijn ouders en mijn boeken en de kersenboom. Niet de hele tijd te hoeven converseren. Want dat is wat er gedaan werd, er werd geconverseerd over kunst en aardkleuren en de natuur en het milieu en hoe, maar dan sjieker gezegd, alles naar de klote zou gaan. Ondertussen leefde ik van gebakje tot gebakje, want dat hadden ze wel goed in de smiezen: dat het leven draait om taartjes.
Taartjes en muziek.
Ik had gelukkig mijn walkman.
Met Gem wandelde ik ‘s avonds rondjes door de uitgestorven badplaats. Ik vond de jongens daar eng. Ze waren Frans en ze maakte grapjes die ik niet kon verstaan. Gem vond alles even interessant, ze rookte stiekem, en nam de biertjes aan die ze haar aanboden, iets dat ik toen met mijn dertien jaar vreselijk eng vond.
Ik vertrouwde het allemaal niet.
Ik wachtte op de hoek, ik keek naar de zee en naar hoe Gem aan het geinen en het zoenen was met de jongens.
In het huisje zetten we dan allebei onze walkman op.
Ik luisterde The Lemonheads. Steeds opnieuw en opnieuw en opnieuw en als je ondertussen een week samen bent dan hou je steeds meer op met beleefd te zijn, en dus had ik de hele terugreis mijn walkman op.
Veertien uur lang, de hele terugreis naar huis, alleen maar The Lemonheads.
It’s a Shame about Ray en Come on Feel the Lemonheads en ik dagdroomde al die uren dat ik en Evan Dando, dat ik en hij, en dan in die band en dat ik zong, dat ik Juliana Hatfield was, maar dan als mezelf en dan trouwen, in een kerk ergens in een veld in het bos met een witte jurk aan en voor eeuwig en altijd en altijd en altijd gelukkig. Zoals je denkt dat het gaat als je dertien bent. Enough about you. Let’s talk about me. If not about you. It’s not about sunshine. It’s about time.
In mijn herinnering zie ik Gem helemaal niet meer in de auto tijdens de terugreis. Ik zie alleen het landschap voorbij schieten en hoor alleen Evan Dando zingen. Ik was heel erg gelukkig tijdens die rit. Je kunt prima in je hoofd leven, dat wist ik zelfs op mijn dertiende al.

Inkomende sms, vandaag, van d’n Lee, om 8u23:
Hannie, Evan Dando komt naar Merleyn zie ik net.

We zijn ondertussen meer dan drieëntwintig jaar verder. Ik heb vrienden die jonger zijn dan dat. Ik draai weer eventjes The Lemonheads voordat ik mijn dochter ga ophalen van het kinderdagverblijf en ik denk aan Gem, die dit jaar twintig jaar dood is.
En het is niet dat ik oud word, al zeg ik dat vaak voor de grap, maar ik meen dat helemaal niet, het gaat er alleen om dat alle herinneringen, al die keren dat deze ogen landschappen zagen en dat deze oren muziek luisterden en dat liedjes en herinneringen en een flits, als een foto, van wat er toen te zien was, in die veertien uur terug naar huis, eindelijk naar huis, dat die zaken goeie vrienden worden. Goeie vrienden die alleen maar in de laatjes in je geheugen zitten, gezellig bij elkaar, maar toch afgescheiden van alles wat me hier in het echte leven vergezelt.

Dus ik heb zojuist maar een kaartje gekocht.
En even naar de wolken geknikt, naar Gem, die daar vast met een walkman op zit te paffen.

Taart

Noër en Tren zitten in een horecagelegenheid.
Lange stilte

NOËR
Knap. Alles.

Stilte

NOËR
Dat iemand dat kan.

Stilte

NOËR
Al die tekst onthouden. En die tekst dat ook nog zo uitspreken dat je niet eens merkt dat ze doen alsof. Dat je niet eens merkt dat bloed gewoon ketchup is.

TREN
Ja, ja.

NOËR
Ja, wat?

TREN
Dat je het niet eens merkt. Toch?

Stilte

NOËR
Alleen die naakte… Ja, nou. Je weet wel. Dat had voor mij niet gehoeven.

TREN
Die blote, ja. Dat weet ik wel.

NOËR
Ik snap niet wat de functie is. Al dat genaakt de hele dag. Ik bedoel, wat is de functie? Ik snap het niet, die functie.

TREN
Nee, nee. De functie, ja.

NOËR
Dan denk ik, denk ik dan, ja: wat denkt Tren daar nou van?

TREN
Ja, ja. Wat denkt Tren?

NOËR
Dat moet allemaal maar kunnen.
En ondertussen zit ik dan steeds wel van: Tren denkt straks nog van: Nou, nou. Kijk eens aan. Nou, nou. Van: Nou. Moet je nou eens kijken.

TREN
Ja.

NOËR
En dat wil ik niet. Dat jij dat denkt.

TREN
Nee.

NOËR
Je moet niet denken-

TREN
Nee, nee.

NOËR
Van: nou, nou. Al dat naakt.

TREN
Nee, nee, nee.

NOËR
Niet van: nou, nou, dat is lekker. Zo naakt.
En dat je dan naast je kijkt.

TREN
Nee, niet naast me kijken, nee.

NOËR
Naar mij.

TREN
Nee, niet naar jou.

NOËR
En dat je dan denkt:

TREN
Nee, niet denken, nee.

NOËR
Wat een ouwe taart.

TREN
Ja, taart, ja.

NOËR
Zo van: ik zie liever zo lekker jong, dan die ouwe taart naakt.

TREN
Ja, nee.

NOËR
Dat lodderende vel. Dat je denkt van: ik wil het strak.

TREN
Ja, strak, ja.

NOËR
En geen taart.

TREN
Nee. Nee?

NOËR
Dat jij dat denkt.

TREN
Ja, ja, dat ik dat denk.

NOËR
Tren?

TREN
Hmmm?

NOËR
Nou?

TREN
Nou?

NOËR
Dat jij dat denkt?

TREN
Dat ik dat denk?

NOËR
Van dat naakt. En die taart. Tren?

Stilte

TREN
Ja, lief. Wat je zegt.

NOËR
Wat ik zeg?

TREN
Ja.

NOËR
Wat zeg ik?
Dat van wat ik zeg, dat dat klopt? Zeg jij dat?

TREN
Dat van knap. Ja. Dat zeg ik.

NOËR
Knap.

TREN
Ja, knap. Wat je zei.
Van al die tekst onthouden. En dan ook nog zó opzeggen dat je niet eens merkt dat ze doen alsof. Dat je niet eens merkt dat bloed gewoon ketchup is.
Ja.
Denk ik dan.
Dat heeft ze toch weer goed gezien, die Noër.
Die Noër ziet altijd alles zo goed.
Echt knap.
Kijk, Noër, een ober!
Jij taart, toch?

Al de hele dag in mijn hoofd:

white_square.jpg

april

white_square.jpg

Maanden verdragen het niet wanneer je slecht over ze schrijft
het zijn net mensen. Het zijn net voicemails.
Normaal beleef ik hier vreugde aan, maar met koude
handen is alles anders: oorlogsmonumenten, pensioenen,
gaarkeukens, dat zwaaien met vlaggetjes, telefoon van ver.
Het zijn, een soort, van ongevraagde openbaringen, zoals
hoe het is om te zitten op hout
zonder vlees ertussen.
Lief dat je het vraagt, lief dat je het vraagt
laten we de formaliteiten maar even achterwege laten.
De maand ligt achter ons.
De wind houdt aan.
De dag is nauwelijks half om en nu al
blijkt hier van alles zoek.

white_square.jpg

Adriaan Jaeggi
(3 april 1963 – 10 juni 2008)

white_square.jpg

Via Jasper Henderson.

oranje

Ouderwets een steekje los

Over straat zag ik een oud meneertje dat in zichzelf praatte. Hij had geen headset in zijn oor, nergens was een mobiele telefoon te zien. Hij sprak gewoon in zichzelf, in zijn hand bungelde een plastic zak van de Albert Heijn.
Hij zag er netjes uit.
Iemand had hem die ochtend nog aangekleed en naar de supermarkt gestuurd. De plastic tas zag eruit alsof hij ook net was aangeschaft, niet als een tasje dat thuis opgefrommeld samen met een miljoen andere tasjes achter de radiator zat te wachten tot ze werden hergebruikt. Het zag er ook niet uit als een tasje dat hij elke dag gebruikte wanneer hij de straat opging omdat hij niks anders had.
Ik was opgelucht dat ik eindelijk weer eens iemand op straat zag die gewoon in zichzelf sprak in plaats van in een mobiele telefoon. Dat iemand gewoon weer ouderwets een steekje los heeft.

Houden van Pleidooi

Bep zit thuis achter een naaimachine, Victor heeft net zijn excuses aangeboden en hun ruzie goed gemaakt.

VICTOR
Weet je wat? We flikkeren de ouwe dossiers in de nieuwe kasten en we beginnen gewoon opnieuw. Met goeie voornemens.
(stilte)
En onderweg koop ik een nieuwe dekbedhoes voor je, want dit wordt toch niks.

BEP
Een jurkje, Victor. Een getailleerd jurkje.

white_square-outlined1.jpg

Klik.

Op boekenjacht

Ons stukje straat is in de loop der jaren zo’n bekend stukje straat geworden dat ik bij het bestellen van iets op internet niet meer “Mag niet bij de buren worden afgeleverd” aanvink. Als ik thuiskom ligt er een briefje op de mat dat mijn boeken op nummer 72 zijn afgeleverd en nummer 72 is een busjesverhuurbedrijf. En wel een busjesverhuurbedrijf zoals ze niet meer gemaakt worden. Ik ben er al eens eerder binnen geweest, ook voor een pakje. Er stond nergens een computer, op het bureautje lagen kasboeken, agenda’s en roosters, er lag bruine vloerbedekking en het rook er naar sigaretten. Het rook er naar vroeger, naar hoe het rook toen ik als kindje wel eens bij mijn opa de hele middag in de garage in de papierbak lag te spelen. Precies zo.
Geur werkt beter dan foto’s en beter dan muziek, als het gaat om het je terug te laten katapulteren in de tijd.
Hoe dan ook: ik loop met het briefje in mijn hand naar nummer 72. Buiten is het koud. Het regent. In het kantoortje is het warm. Weer die sigarettengeur. Er gaat in de verte zacht een zoemer. Ik wacht. Er tikt een klok. Er hangt een kalender met foto’s van dure auto’s. Op het bureau staat een grijze plastic toetstelefoon, het middenstuk van de hoorn is zwart van al die jaren bellen met smeerhanden. Er komt niemand door de tussendeur het kantoor in. Ik maak de voordeur nog een keer open en dicht. Weer hoor ik in de verte een zoemer. Er klinkt geraas van water uit de garage die achter het kantoortje moet liggen. Dan pas valt me een raam op dat slordig wit geverfd is. Ik zie de contouren van een busje in schaduwen getekend op het wit en in de verte hoor ik door het geraas heen nu ook iemand zingen. Ik open de voordeur nog een keer, sluit hem weer, kijk weer rond.
Dan zie ik mijn pakje. Het staat in de kast achter het bureau. Ik kan de naam en het adres niet lezen, maar ik weet zeker dat het van mij is, want op de doos staat heel groot CENTRAAL BOEKHUIS. De mannen van het busjesverhuurbedrijf lijken me veel, maar geen mannen die een boekendoos trots in de kast zetten, alsof het een trofee is. Ik open en sluit de voordeur nog eens. Ik hoor nog steeds gezang en dan zie ik de contouren van een man met een hogedrukspuit rond de contouren van het busje lopen. Hij zingt.
Ik wacht nog even.
Ik kijk naar mijn boekendoos.
Ik wacht nog even.
Dan ren ik achter de balie, langs de bureaustoel, leg mijn briefje neer, pak de doos en ren als een dief de deur weer uit.
Thuisgekomen heb ik een adrenalinekick en daarna voel ik me sneu dat ik tegenwoordig van zulke kleine zaken al een adrenalinekick krijg. Maar ik ben nu wel twee boeken rijker. Twee boeken die ik als op jacht heb moeten verkrijgen.

De wereld is gek geworden

1. Als we over de grens van Duitsland naar Nederland over rijden, is er een controle door de marechaussee. Er zijn drie personenauto’s aangehouden, verder mag iedereen doorrijden.
Uit de drie aangehouden auto’s stappen elf dronken zwarte pieten en een dronken Sinterklaas.

2. Een spichtige magere mevrouw met droogkap-kapsel loopt voorbij in de rijdende trein en schreeuwt geërgerd tegen haar man: “DE TREIN RIJDT GOVVERDOMME ACHTERUUT!”

3. Naast ons in het restaurant zegt een boerenjongen met een zwaar Brabants accent tegen zijn vader of zijn internetdate of zijn oom of iemand anders waarmee het ongemakkelijk praten is: “Ja, nee, een vriendin van me doet ook aan automutilazie.”
Dan is het even stil.
“Maar nie’ heel errig.”
Weer een stilte.
“Ja, ik snij m’n eigen ook wel eens. Maar dat is dan uit lompigheid.