Lingelbach_Karneval_in_Rom_001c

Nao ‘t zuuje

Voor Dennis Gaens’ Ondercast maakte ik vorig jaar een item over vastelaovend in Venlo en waarom ik niet zou gaan.
Euver pekses, euver de prins, wie ‘t brôns greun bleef lokke.

Dao wint ‘t verstand toch neet van.
En waarom ik uiteindelijk natuurlijk wel ging.
white-square.jpg

white-square.jpg

Beluister hier de hele uitzending van de desbetreffende Ondercast.

bar

Observaties van een barvrouw

Het stel aan de bar haat de wereld. Of ja, de man kan ik door de tap niet goed zien, maar zijn mevrouw haat de wereld zeer zeker. Ze is nog niet eens zou oud, ze is netjes gekleed, blond, met nette rustige make-up en met mondhoeken die diep naar beneden hangen. Het lijkt bijna of ze er moeite voor moet doen om ze zo laag te krijgen. Elk normaal mens zou moeite moeten doen om die mondhoeken zo laag te krijgen.
Misschien heeft ze dit gezicht getrokken toen de klok twaalf uur sloeg, bedenk ik.
Ze heeft haar gedrag er in elk geval op aangepast.
Als de groep aan het tafeltje meteen achter hen in luid gelach uitbarst, draait de vrouw met die omlaaggetrokken mondhoeken zich om en bekijkt ze met een paar korte op en neer bewegingen van haar hoofd het meisje dat het dichtst bij hen zit.
Als ze wegkijkt snuift ze.
Ik kan door de herrie steeds net niet verstaan wat ze zeggen, maar de vrouw is het meest aan het woord. De man hoor ik alleen maar af en toe soort van instemmend mompelen. Ze is het ergens niet mee eens, haalt een stuk papier uit haar tas en wijst erop met een perfect gemanicuurde vingernagel. De mondhoeken blijven naar beneden.

Ik hoor haar het woord “rekening” noemen, nog voordat haar man halverwege zijn biertje is. Haar witte wijntje heeft ze al op, wat me best lastig lijkt met zulke omlaag getrokken mondhoeken. De man klokt haastig zijn Koninkje naar binnen, terwijl zijn vrouw de jas al aan heeft. Met een licht geërgerde blik wacht ze tot haar man zijn jas heeft aangetrokken. Dat gaat door de haast een beetje stuntelig. Hij rekent af. Een bleke grijze man. Met eerder een treurige dan een geërgerde blik.
De blik van iemand die vele jaren geleden heeft besloten om gewoon niet meer deel te nemen.
De vrouw loopt alvast naar de deur.
Ze haat de wereld.
Ze lust waarschijnlijk niet eens witte wijn.
De man struikelt een beetje over een kruk.
Ze kijkt niet om.
De man wel.
Ik knik hem toe.
Voor eeuwig op weg naar slachtbank, denk ik.
Tevreden drink ik mijn kouwe thee op.
We hebben het maar goed.

pexels-photo-796605

Venlonaren dansen geen polonaise

Het is midden op vastelaovesmaandag als mijn vader ontwaakt uit zijn narcose en een delier krijgt. Ik sta buiten in een steeg met een plastic beker brand in mijn hand en mijn mobiel aan mijn oor. Binnen in de kroeg klinkt een joekskapel. Er wordt gezongen. Ik kijk de straat in. Het is nog licht.
“Hij wil steeds uit bed en dat mag niet,” zegt mijn moeder aan de andere kant van de lijn. “En ze kunnen ook niet iemand van de verpleging de hele nacht naast zijn bed zetten.”
“Nee,” zeg ik.
Mijn ogen voelen zwaar. Overal klinkt muziek en gezang en ergens hoor ik kerkklokken slaan. Terwijl mijn moeder praat, kijk ik op mijn telefoon. Het is half vijf.  Als ik de telefoon weer aan mijn oor houd, zegt mijn moeder: “Han? Han?”
“Ja?” zeg ik. Normaal kan ik haar op bed leggen en een hele wasmand was ophangen zonder dat ze het merkt. Mijn moeder vraagt nooit iets. Nooit gedaan. Behalve vandaag.  Mijn moeder zegt dat ik mijn broers moet zoeken en dat we naar het ziekenhuis moeten komen.

Na drie kroegen heb ik mijn broers gevonden. Ik ga niet meer zo vaak terug naar Venlo, voor de vastelaovend, ik kan er niet meer zo goed tegen als vroeger, al die dagen zoveel zuipen. Ik word er ziek van.  Mijn broers hangen aan de bar van De Klep en zijn verkleed als Fidel Castro en Prins Willem Alexander.
“We moeten naar het ziekenhuis,” zeg ik, terwijl ik mijn telefoon omhoog hou, alsof dat iets betekent, die telefoon. Ik heb een goedkoop zigeunerachtig pak aan waar ik me eigenlijk voor schaam, buiten frommel ik een sigaret uit een geplet pakje Belinda. Yolante Cabau van Kasbergen, had ik mezelf maar gedoopt. Maar ik zag er eerder uit als een vergeten popster uit de jaren tachtig die madonna na probeert te doen. We lenen een fiets en met z’n drieën rijden we op één fiets de Tegelseweg in, de stad uit, op weg naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het een drama op de kamer van mijn vader. Mijn moeder houdt hem vast, samen met een verpleegster, maar mijn vader is sterk en mijn moeder al in de zeventig. Mijn moeder laat los als ze ons ziet, ze begint te huilen en zet een stap naar achter. Ik word altijd boos als mijn moeder huilt, ik weet niet hoe dat kan. De verpleegster roept dat we het over moeten. We pakken hem vast. Fidel Castro, Willem Alexander en Yolanthe Cabau van Kasbergen houden mijn vader in een houdgreep. Mijn broers hebben zijn armen en zijn benen en ik leg een hand in zijn warme nek, die nat van het zweet is. Mijn vader is een man die nooit veel zegt, die zich nooit verzet heeft en ergens achterin mijn hoofd, ergens achter diegene die hier aan het handelen is, die haar vader probeert te kalmeren, verbaas ik me erover dat deze man zo op mijn vader lijkt, maar zo totaal anders doet dan mijn vader. Het lijkt of na al die jaren, dat hele leven stilte, ineens alles eruit wil. Hij schreeuwt, brult en alles aan hem slaat en schopt met alles wat hij in zich heeft.  Dan komt er iemand binnen die iets in zijn infuus spuit. Mijn vader valt in slaap. Ik kan me niet meer herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Mijn vader is geen knuffelaar.

“Jij hoeft hier niet te blijven slapen,” zegt mijn oudste broer tegen mijn moeder. “Wij doen het wel.”
Ik kijk mijn broer aan. Ik wil helemaal niet in het ziekenhuis slapen.
“Ja,” zeg ik.
Ik vraag ook nooit iets. Nooit gedaan ook.
“Ga maar,” zeg ik.
Mijn moeder pakt haar tas en we krijgen allemaal een kus.
“Hij lijkt op jou, als je dronken bent,” zegt mijn ene broer tegen mijn andere broer als mijn moeder weg is.
“Inderdaad,” zegt mijn andere broer.
Op de kamer hangen ballonnen. We kijken televisie en om de beurt gaan we een sigaretje roken. Over de gang rollen karretjes, alles ruikt zoals je verwacht dat het ruikt in een ziekenhuis. Ik denk aan mijn dode tantes, aan sommige vriendinnen, aan iedereen die hier lag, aan iedereen die hier huilde. Ik ga naast mijn broer in het bed naast mijn vader liggen. Op de tv loopt een vrouw met een geweer door een steeg, de carnavalszender hebben we afgezet. Mijn pruik hangt aan de kapstok. Ik val in slaap.

Mijn vader rent als een dronkenman de gang over en mijn oudste broer heeft hem bijna. Hij heeft een punt van mijn vaders ziekenhuisjurk al vast. Ik ren er achteraan om de infuusstok overeind te houden, die hij achter zich aan sleept. De standaard krast over het linoleum. Achter me hoor ik mijn andere broer uitglijden, ik voel zijn handen zich nog vastgrijpen aan mijn kuiten.
We lijken wel een kroeg in polonaise, maar venlonaren dansen geen polonaise.
Al worstelend krijgen we mijn vader terug naar de ziekenhuiskamer. Zijn katheter is losgesloten en overal ligt bloed. Mijn vader slaat me. We wachten op de verpleging. Ik leg mijn wang tegen zijn warme hoofd, zijn schokkende hoofd, het ruikt naar een oud mannetje. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Ik duw mijn wang strak tegen hem aan, bij zijn oor en ik wieg hem, zo goed en kwaad als het kan en ik zing mijn lievelings vastelaovendsliedjes.
Ik zing: Dich maks de kachel met mich aan Marieke, waat ofste van mich dinks det luut mich kalt, me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje en auk mien hert neet det ik raozend van dich halt.
En dan, als laatst: Zoë is ‘t laeve, waat kan ‘t gaeve. We doon maar allemaol wat water beej de wién. Op idder paedje ein roéze-blaedje en nao `t straevele ein bietje zônneschien.
Mijn vader valt in slaap. Hij heeft nooit veel om vastelaovend gegeven.

Ik word wakker omdat een verpleegkundige de ontbijtkar naar binnenrolt.
“Wat wil hij drinken?” Vraagt de verpleegster.
“Ik denk chocomel,” zeg ik.
Ik weet dat nog van vroeger, dat hij graag chocomel dronk. Ineens moet ik huilen, alleen omdat ik aan die chocomel van vroeger denk. De verpleegkundige geeft me een klopje op mijn schouder.
Ik smeer de boterhammen. Ik zet een rietje in de chocomel. Ik voer mijn vader kleine stukjes boterhammen met kaas en af en toe duw ik het rietje tussen zijn lippen. Hij heeft honger. Hij eet gretig.
Honger is goed, denk ik.
“Lekker,” zegt mijn vader.
Hij is er wel, maar hij is er niet, denk ik en voor het eerst in mijn leven voel ik me op mijn gemak bij mijn vader. Want euver hônderd jaor, jao jao des iérlik waor, dan bisse deeze tiéd, veur altiéd kwiét, zing ik, dicht bij zijn oor, ik zie de stugge rode haren die uit zijn oor steken. Mijn vader grijpt met zijn hand in de lucht en pakt dan mijn pols. Hij zegt niets. Hij knijpt alleen maar. Ik leg mijn hand op zijn hand en zo zitten we daar.
Als mijn broers wakker worden, steek ik een duim op.
“Is het allemaal goed?” vraagt mijn oudste broer.
Ik knik.
Ik zeg: het is allemaal goed.
Het is allemaal goed.

pexels-photo

Koffie verkeerd

“Een latte doppio,” zeg ik bij de pastatent op het station waar ik altijd mijn koffie haal. Tenminste, sinds Dennis Gaens vijf jaar geleden zei dat daar de koffie het best was.
Of: meest goed, zoals iedereen tegenwoordig lijkt te zeggen.
Bah.
“Een café latte of een latte machiato?” zegt de jongen achter de balie.
Ik heb net vijftien kilometer gefietst. Het waaide flink en het hagelde af en toe en ik luisterde de podcast Alice isn’t dead. Dus ik kan niet heel goed nadenken.
“Euhm, hè?” zeg ik. “Ik bestel al jaren gewoon een latte doppio. Hier. Aan de balie.”
Mijn mp3-speler valt op de grond. Als ik weer overeindkom na het oprapen hoor ik naast me:
“Een machiato is met minder melk. Een café latte met meer.”
Volgens mij is het andersom. Betekent machiato melk met een vlekje koffie. Maar ik kan het verkeerd hebben. De man spreekt met een kak-accent en veel valse lucht. Ik kijk naar de man. Hij heeft oude geweven en gebatikte kleren aan. Ik ken zijn soort. Van die mensen die het vervelend vinden dat ze met heel veel geld zijn opgegroeid, en zich daarom zijn gaan kleden alsof ze dat niet zijn. Terwijl ze altijd veel geld zijn blijven hebben, omdat ze het steeds zijn blijven aannemen. Van ouders, van echtgenoten. Ik kwam ze vroeger al zo af en toe tegen, in Venlo toen ik daar in het eetcafé werkte. Het waren er niet veel, maar je had ze wel. In Nijmegen zijn ze er in overvloed. Ze zijn simpel te ontmaskeren, want ze verraden zichzelf altijd. Je kunt nu eenmaal niet onder je afkomst uit. Helaas. In het dorp heb ik ze nog niet ontmoet. Daar loopt iedereen in een bodywarmer en bontlaarzen. Je zwaait als je iemand op straat tegenkomt. Dat is helemaal niet veel werk.
Ik heb nog steeds gewoon vijftien kilometer gefietst.
Ik voel dat er damp uit mijn kraag omhoog slaat.
“Gewoon wat jullie altijd doen als iemand een latte doppio besteld,” zeg ik verward tegen de jongen.
“Is echt een heel verschil, hoor,” zegt de man.
Hij lacht schamper.
“Je kunt ze eigenlijk niet met elkaar vergelijken,” zegt hij.
Ik antwoord niet. Hij vroeg immers niks.
“Ik weet het al,” zegt de jongen. “Een latte machiato.”
“Ja, of bemoei ik me er nu mee?” zegt de man.
Ik zucht. Ik zeg niet dat ik zelf ooit een baristadiploma had, dat ligt nu ergens in een kast te verstoffen. Ik heb nooit goed figuurtjes kunnen maken in het melkschuim. Ik weet wél dat ik voor hem per ongeluk een kleine lul met grote ballen had gecreëerd. Of het nu linksom of rechtsom was. Maar ik zet geen koffie meer voor andere mensen. Ja, voor visite. Dat is bijna hetzelfde als in de kroeg, maar toch anders.
Ik denk aan de buurtsuper in het dorp, die na de feestdagen geen groentetaarten meer verkoopt. Die niet over de kop gaat als ieder huishouden in het dorp er wekelijks vijftien euro uitgeeft. We gaan er dus iedere week heen. Voor sap van appels uit het dorp, boerenkool, een potje van dit en een potje van dat, en nu dus niet meer voor de groentetaart.
“Als jij je daar beter bij voelt,” zeg ik. “Dan bemoei jij je er lekker mee.”
“O ja, nee,” zegt de gebatikte kakman.
Er valt een lange stilte.
Ik zeg niks meer.
Ik krijg mijn koffie.
Al dampend neem ik de eerste slok.
Ik zwaai naar de jongen en niet naar de man.
In de trein dampt alleen de koffie nog. De koffie is goed.
Precies zoals ze ‘m altijd voor me maken.

winkelwagens

De trolleyrace

We horen de geluiden van een sportevenement. Joelende mensen, gesnuif en gehijg, geblieb van portofoons. Er hangt spanning in de lucht. Een wedstrijd die bijna gaat beginnen.

COMMENTATORSTEM
En de spanning is te snijden rond de start. Nu zal het er om gaan spannen na een druk en bewogen seizoen en over enkele minuten zal dan eindelijk de jaarlijkse en dit jaar kei-har-de wedstrijd zijn hoogtepunt bereiken.
De baan is vanochtend door de experts nog een laatste maal gecheckt en nu staat het bom-me-tje vol langs het parcours door het dorpspark van Abbegaasterketting.
Wedstrijd der wedstrijden.
De scheiding van het kaf en het koren.
De strijd der Titanen.
Of moet ik Titanettes zeggen?
De dames hebben zich warm gelopen en na wat rek- en strekoefeningen nemen ze nu dan eindelijk plaats in de startblokken.
(Er klinken voeten over het gravel, het gesnuif wordt luider, coaches schreeuwen nog laatste aanwijzingen.)
Hun gezichten verbeten van de spanning. Dit is pure concentratie, dames en heren. Topsport in zijn puurste vorm. José van de Pasch heeft haar  startpositie ingenomen en ook Annie van de Laar lijkt nu er helemaal klaar voor te zijn . Van de Laar geeft een kusje op het medaillon met een haarlokje van haar dochtertje, haar talisman die ze altijd om haar nek heeft hangen en die haar dit seizoen nog geen windeieren heeft gelegd. De laatste wedstrijd, het hoogtepunt, hier, nu in Abbegaasterketting.
En wat is het een seizoen geweest, mensen, wat een seizoen. Een laatste sjor aan de winkelkarretjes en dan…
(Stilte, gevolgd door een luide knal.)
Het startschot!
(Ratelende wielen van winkelwagentjes over een parcours vol gravel.)
En Annie van de Laar gaat meteen aan kop!
Vaak al de gedoodverfde winnaar genoemd!
En wat gáát ze hard met die winkelwagen, dames en heren.
Maar ze is dan ook een expert op het gebied van gravel.
Een paar meter achter haar hijgt de hete draadjesvlees met jus-adem van José van de Pasch in de nek van Van de Laar.
Oh! Van de Pasch valt bijna, maar weet zich nog net overeind te houden aan haar winkelwagen. Of moet ik eigenlijk trolley zeggen, zoals de dames het zelf tegenwoordig prefereren.
Er gaat een golf van opwinding door het publiek dat leuzen scandeert vanaf de zijlijn.
Van de Pasch heeft toch nog een verbazingwekkende snelheid weten te behalen, bedenkende dat ze eigenlijk pas net hersteld is van een zware blessure aan haar knieën. Ze komt met haar voorwieltjes akelig dicht bij de voeten van Van de Laar.
Wat een kracht heeft deze vrouw, wat een souplesse.
Bij haar laatste training wist Van de Pasch me te vertellen dat haar voorliefde voor een glanzend parket haar kansen op het kampioenschap danig had doen slinken, maar dat ze alles op alles had gezet om haar eeuwige rivaal te verslaan.
Mensen, gaat het haar lukken?
(Harder gejuich.)
Abbegaasterkettingers langs de kant kunnen de spanning nauwelijks aan.
En uw commentator zit op dit moment ook op het puntje van zijn stoel hoor, dames en heren.
De eerste lastige bochten zijn met glans doorstaan en nu denderen de dames met hun roestvrij stalen trolleys verder over het gravelparcours, met in de verte al de eindstreep in zicht.
O!
(Gegil en geschreeuw.)
Van de Laar kijkt om! En schampt met de zijkant een hooibaal!
En dat zo vlak voor de finish!
Maar ze herstelt zich, en nog steeds op kop is ze toch een half metertje bij gehaald door van de Pasch.
Nieuwsgierig Aagje, die Annie!
Nieuwsgierig Aagje!
(Lacht luid.)
De dames zijn ondertussen met de fíets niet eens meer bij te houden.
Verbeten trekken rond hun mond.
Maar o!
Wat nu?
Annie van de Laar spuugt!
En José van de Pasch krijgt de klodder in haar oog!
Met nog maar één oog om mee te zien wordt de strijd nu echt heel grimmig.
En Van de Pasch zet nu een extra tandje bij!
Nog maar tientallen meters.
Maar!
Wat nu!
Nee!
Haal dat kind daar weg!
Haal dat kind!
Nee!
O!
Annie van de Laar kijkt weer om!
Nee!
Niet omkijken!
Haal dat kind weg!
Dames en heren!
Annie van de Laars dochtertje is zojuist vlak voor de finish het parcours komen opgelopen!
O! Annie!
(Luid gegil van het publiek. Paniek.)
Met een bosje bloempjes in haar handjes!
Annie’s grote trolley blokkeert het zicht op dat kleine kleine meisje!
Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee!
(Stilte. Fluistert.)
Een doodse stilte.
Alleen het geluid van van de Pasch’s winkelwagenwielen over het parcours.
José van de Pasch breekt het lint bij de finish.
(Stilte.)
Mensen.
We hebben een winnaar.
(Zucht.)
We hebben een winnaar.
 

bar

Het vierde drankje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan bestelden ze bij elk rondje drie bier en een portje. Maar op een dag was de portdrinker dood, en nu bestellen ze nog altijd haar drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
Het is even stil.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de drie bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.

tumblr_ooa2k8fysI1sfie3io1_1280

Angst

Ik sta te koken en ik durf de afzuigkap niet aan te zetten. Ik denk er niet eens echt bij na. Ik ga gewoon uit de weg dat ik dat ding moet aanzetten. Waarom weet ik niet: niemand van de nieuwe buren kan de afzuigkap horen, mijn dochter zit met mijn man ergens verderop in de woonkamer van ons nieuwe huis te spelen en ik heb net een paar tenen in de braadpan geknepen, dus dat ding moet wel aan.
Terwijl ik naar de knoppen kijk, besef ik het voor het eerst in mijn leven.
Dit heb ik altijd.
Altijd als er iets groots in mijn leven is veranderd.
Dan raak ik versteend bij tijd en wijle.

Het was al aan de hand toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in een prima studentenhuis. Met leuke mensen, daar lag het niet aan, maar de eerste maanden durfde ik nauwelijks de gang op. Dan luisterde ik een hele tijd aan de deur en pas als ik niemand hoorde in huis sloop ik de gang op. Ik hield de gordijnen dicht, deed alsof ik er niet was. Terwijl ik verder prima functioneerde: ik at met mijn huisgenoten samen, we gingen samen uit, we waren vrienden, niets vreemds. Ik heb zelfs altijd een grote mond. Doe alsof ik nooit bang ben. Niemand me ook maar iets kan maken.
Maar tussen al die activiteiten door stond ik als versteend bij iets eenvoudigs als over de gang naar het toilet moeten.
Dan wachtte ik. En wachtte ik. En als het huis dan muisstil was, sloop ik de gang op.

Soms hoor je wel eens dat iemand in een studentenhuis een huisgenoot had die klaarblijkelijk in plastic zakken poepte. Ik heb dat gelukkig nooit gedaan, maar als je ‘t een graadje erger had dan ik, dan snap ik dat iemand zoiets gaat overwegen.
De grootste vijand van de mens is zijn brein. Niet het dier dat in een zak schijt.

Toen mijn dochter net was geboren, was het ’t ergst ooit, realiseer ik me daar voor die afzuigkap. Ik durfde maandenlang niet de radio aan te zetten, terwijl ik mijn hele leven ’s ochtends Radio 1 aan heb staan. In bed las ik ineens alleen nog maar wielerboeken omdat ik niet verder wilde gaan in het boek dat ik aan het lezen was voor de geboorte (iets van Stephen King, mijn lievelings), ik durfde mijn haar niet meer los te doen als ik ging slapen en ik speelde geen Tetris meer op de gameboy, want ik wist zeker dat ze zou gaan huilen en zou blijven huilen tot het einde der tijden en dat ik gek zou worden. Echt gek. Niet gewoon een beetje bang. Maar gek. Voor altijd gek.

Mijn man komt naast me staan.
‘Wat doe je?’ zegt hij, terwijl hij de afzuigkap aanzet.
‘Ik durf de afzuifkap niet aan te zetten,’ zeg ik verbaasd.
Ik krijg een kus.

Ik open de gangkast, sla met wat deuren, stamp de trap op.
Een half uur later zet ik zingend de potten op tafel. Mijn dochter zingt mee vanuit haar stoel, mijn man trekt een fles wijn open. Mensen die geen moeite hebben met ruimte innemen.
En zo kom ik tot het volgende besef van die dag: dat ik kan concluderen dat verhuizen veel minder heftig een impact op een mens heeft, dan het krijgen van een kind.

Iemand zei ooit dat je elke dag iets moet doen dat je eigenlijk niet durft. Vandaag zijn dat simpele dingen, als herrie maken. Aanwezig zijn.

jaymantri-free-stock-photos-1024x678

Geen idee wie dit schreef

(Lange stilte. Ze kijken beiden de open koelkast in.)

OOM HEIN:
Jan

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Zie je wat daar ligt daar naast de oude kaas?

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Wat dan?

JAN:
Een toneelstuk

OOM HEIN (lachend):
Een komedie
Jazeker een komedie

tumblr_oihkeqJl9R1sfie3io1_1280

U bent niet alleen

En dit!
“In 2006 plaatste ik een fotootje op mijn weblog, dat mij afgelopen week een dikke rekening opleverde. Deze podcastaflevering is het verhaal van deze foto, hoe het afliep en hoe een Belgische machine rechthebbend materiaal opspoort en daar dikke rekeningen over verstuurt waar je niet of nauwelijks onderuit komt.”
Door Botte Jellema. Alhier: Klik.