down-1838133_1920

Op de bank

Vader lag zeven dagen per week op de bank. Ik weet niet of hij dat altijd al gedaan had, de film van herinnering in je hoofd gaat pas lopen op het moment dat je als kind beseft dat er over het leven iets gevonden kan worden, en toen lag hij er al. Op die bank. Dat dingen niet gewoon zijn, maar dat je er iets van kunt vinden en dat je je daar op een bepaalde manier op kunt of moet reageren. Volgens mij zeggen de antroposofen dat je eerste herinnering altijd gekoppeld is aan een heftige ervaring. Hoe eerder je eerste herinnering, hoe onbevangener je start. Maar pin me daar niet op vast. Ik heb dat voor de helft zelf bedacht.

Mijn moeder deed alsof hij daar niet lag. Praatte over hem alsof hij er niet bij was en alsof hij helemaal niet op de bank lag. “Je vader vindt het ook goed, dus ga maar.”
Soms vroeg ik het na aan hem en dan bleek dat ze gelijk had.
“Mag ik eten bij Janske?”
“Ja, ga maar.” En dan wuifde hij met zijn hand.
Als we aten kwam hij even aan tafel, dan at hij mechanisch zijn bord leeg dat mijn moeder voor hem vol had geschept. Hij moet een uitstekende spijsvertering hebben gehad, want hij was niet dik of pafferig. Je hoort wel eens mensen vertellen over een opa die zijn hele leven zware shag rookte of een oma die iedere dag vijftien Jupilertjes (mannen weten waarom) dronk en die gewoon van ouderdom stierven. Mijn vader was misschien de immobiliteitsvariant. Eten, liggen, eten, liggen, kopje thee, liggen, de afstandsbediening in de hand, zappen, liggen, omdraaien, liggen, naar bed gaan, liggen, opstaan, ontbijten, liggen, douchen, liggen, eten, liggen en herhaal, herhaal, herhaal.

Pas toen ik het huis uit ging, en de film van de herinnering al een dikke vijftien jaar film draaide door de projector, snapte ik dat het raar was. Ik zat zelf op de bank en ik dacht: zal ik gaan liggen? Ik had een ouwe televisie met dikke knoppen, tien zenders, zonder afstandsbediening, die ik met een stok kon van zender kon laten verwisselen. Ik dacht: ik kan gaan liggen. Ik keek mijn eerste studentenkamer rond. Het plafond, de spiegel met wasbak, de deur, mijn hoogslaper. Buiten toeterde een bus. Ik keek naar mijn telefoon, een oranje, met een draaischijf en ik dacht: zal ik mijn moeder bellen en het vragen? Buiten ging het stoplicht weer op rood. De bus haalde het stoplicht niet en remde. Rook trok door de straat. Het was een koude dag. Ik liet me op mijn zij op de bank vallen en daar bleef ik een hele tijd liggen. Het stoplicht verwisselde steeds van kleur. Groen, oranje, rood, groen, oranje, rood. Weer een bus, weer een bus, weer een bus. Langzaam werd het donker en ik kreeg honger.
Toen ben ik opgestaan.
Naar de winkel gegaan.
Iets simpels gekocht.
Dat opgegeten, zittend voor de televisie.
Eenzaamheid en inactiviteit gaan niet goed samen, als je iemand bent die grote borden eten eet.
De volgende dag schoof ik mijn bank in de achtertuin. Het regende.
Daarna belde ik mijn moeder, zittend op mijn bureaustoel.
Ik kreeg de groeten van mijn vader.
“Hij mist je,” zei ze.
“Ik mis hem ook,” zei ik.
Ik zei niets over de bank. Nooit gedaan. Ik heb het nooit gevraagd. Nooit iets over gezegd, over dat liggen.
Maar hij had het vast goed gevonden. Ik zal dat nog eens aan mijn moeder moeten navragen.

tumblr_ooa2k8fysI1sfie3io1_1280

Angst

Ik sta te koken en ik durf de afzuigkap niet aan te zetten. Ik denk er niet eens echt bij na. Ik ga gewoon uit de weg dat ik dat ding moet aanzetten. Waarom weet ik niet: niemand van de nieuwe buren kan de afzuigkap horen, mijn dochter zit met mijn man ergens verderop in de woonkamer van ons nieuwe huis te spelen en ik heb net een paar tenen in de braadpan geknepen, dus dat ding moet wel aan.
Terwijl ik naar de knoppen kijk, besef ik het voor het eerst in mijn leven.
Dit heb ik altijd.
Altijd als er iets groots in mijn leven is veranderd.
Dan raak ik versteend bij tijd en wijle.

Het was al aan de hand toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in een prima studentenhuis. Met leuke mensen, daar lag het niet aan, maar de eerste maanden durfde ik nauwelijks de gang op. Dan luisterde ik een hele tijd aan de deur en pas als ik niemand hoorde in huis sloop ik de gang op. Ik hield de gordijnen dicht, deed alsof ik er niet was. Terwijl ik verder prima functioneerde: ik at met mijn huisgenoten samen, we gingen samen uit, we waren vrienden, niets vreemds. Ik heb zelfs altijd een grote mond. Doe alsof ik nooit bang ben. Niemand me ook maar iets kan maken.
Maar tussen al die activiteiten door stond ik als versteend bij iets eenvoudigs als over de gang naar het toilet moeten.
Dan wachtte ik. En wachtte ik. En als het huis dan muisstil was, sloop ik de gang op.

Soms hoor je wel eens dat iemand in een studentenhuis een huisgenoot had die klaarblijkelijk in plastic zakken poepte. Ik heb dat gelukkig nooit gedaan, maar als je ‘t een graadje erger had dan ik, dan snap ik dat iemand zoiets gaat overwegen.
De grootste vijand van de mens is zijn brein. Niet het dier dat in een zak schijt.

Toen mijn dochter net was geboren, was het ’t ergst ooit, realiseer ik me daar voor die afzuigkap. Ik durfde maandenlang niet de radio aan te zetten, terwijl ik mijn hele leven ’s ochtends Radio 1 aan heb staan. In bed las ik ineens alleen nog maar wielerboeken omdat ik niet verder wilde gaan in het boek dat ik aan het lezen was voor de geboorte (iets van Stephen King, mijn lievelings), ik durfde mijn haar niet meer los te doen als ik ging slapen en ik speelde geen Tetris meer op de gameboy, want ik wist zeker dat ze zou gaan huilen en zou blijven huilen tot het einde der tijden en dat ik gek zou worden. Echt gek. Niet gewoon een beetje bang. Maar gek. Voor altijd gek.

Mijn man komt naast me staan.
‘Wat doe je?’ zegt hij, terwijl hij de afzuigkap aanzet.
‘Ik durf de afzuifkap niet aan te zetten,’ zeg ik verbaasd.
Ik krijg een kus.

Ik open de gangkast, sla met wat deuren, stamp de trap op.
Een half uur later zet ik zingend de potten op tafel. Mijn dochter zingt mee vanuit haar stoel, mijn man trekt een fles wijn open. Mensen die geen moeite hebben met ruimte innemen.
En zo kom ik tot het volgende besef van die dag: dat ik kan concluderen dat verhuizen veel minder heftig een impact op een mens heeft, dan het krijgen van een kind.

Iemand zei ooit dat je elke dag iets moet doen dat je eigenlijk niet durft. Vandaag zijn dat simpele dingen, als herrie maken. Aanwezig zijn.

jaymantri-free-stock-photos-1024x678

Geen idee wie dit schreef

(Lange stilte. Ze kijken beiden de open koelkast in.)

OOM HEIN:
Jan

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Zie je wat daar ligt daar naast de oude kaas?

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Wat dan?

JAN:
Een toneelstuk

OOM HEIN (lachend):
Een komedie
Jazeker een komedie

tumblr_oihkeqJl9R1sfie3io1_1280

U bent niet alleen

En dit!
“In 2006 plaatste ik een fotootje op mijn weblog, dat mij afgelopen week een dikke rekening opleverde. Deze podcastaflevering is het verhaal van deze foto, hoe het afliep en hoe een Belgische machine rechthebbend materiaal opspoort en daar dikke rekeningen over verstuurt waar je niet of nauwelijks onderuit komt.”
Door Botte Jellema. Alhier: Klik.

De heg

“Wat is een liguster?”, vroeg ik mijn moeder. We stonden in de bieb en mijn moeder stond bij de biografieën. Mijn moeder leende altijd stapels biografieën, al kan ik me niet herinneren dat ze er een ooit uitlas.
Ik drukte een boek tegen mijn borst.
Als ik de bloeiende liguster ruik.
Ik vond het de mooiste titel die ik ooit had gehoord.
“Dat is gewoon de heg”, zei mijn moeder zonder op te kijken van de achterflap van het boek in haar hand. Heg klonk gewoon als klei, als de zandbak en als de houten blokken waarvan ik splinters kreeg en waar ik dan naar keek. Heg klonk als de geroeste kruiwagen, waar mijn broers me in rondreden en een achtbaan nadeden en waarbij het altijd minder spectaculair bleek als dat ik dacht wanneer ik in de kruiwagen klom.
Liguster was een ander verhaal.
Dat klonk als Barbie.
Ik had geen Barbies, ik had een biebpas.

En als ik dan vandaag langs zo’n struik loop, zo’n heg in bloei, dan zitten die titel en die dorpsbieb en die kinderboeken die altijd een beetje plakkerig waren aan de kaft meteen weer in mijn hoofd.

Als ik de bloeiende liguster ruik bleek een kutboek.
Na drie pagina’s legde ik het naast me neer.
Ik zag nog net mijn moeder opkijken van haar biografie en diep zuchten.
Deze zou het ook niet redden.

Pekske Caballero zonder filtar

1.
Het meisje naast me in de trein bekeek de filmpjes van haar vlog op haar laptop. In één daarvan pakte ze in haar ondergoed haar vakantiekoffer in. Ik keek naast me, ze had geen koffer bij zich. In een ander filmpje lag ze met haar vriend op bed. Een weelderig bed met schone witte lakens om de donzige dekbedden. Niemand had last van het warme weer, niemand had last van geen tijd om het bed te verschonen. Soms maakte ze selfie van zichzelf, waardoor het leek alsof ze me vanaf haar scherm aankeek, maar ze zag natuurlijk alleen zichzelf. Toch voelde ik me betrapt.

2.
“Ik moet wel in de zon zitten natuurlijk, om dit kleurtje een beetje bij te houden,” hoorde ik een vrouw in het voorbijgaan zeggen. Ze had een hese raspende stem, het soort stem dat mijn broer altijd Un pekske Caballero zonder filtar noemde. Op de televisie zou deze scène zijn afgeketst omdat de vrouw te oranje was, haar haar te blond en haar stem te hees.
Nu was het echt en moest ik lachen, maar dat heeft niemand gezien of gehoord.

3.
Nu drink ik koffie op een terras en wacht ik hierop.
Een enge meneer groette me, ik knikte minzaam terug.
Misschien schrijft hij nu ook wel een stukje op zijn website.
Over die wijven tegenwoordig.
Die groeten nog niet eens fatsoenlijk.

Per trein

1.
Aan de andere kant van de lange glazen wand stond een zwerver in de zon. Hij stond met zijn ogen dicht in de warmte van de ochtendzon, het was een uur of negen. Ik liep aan de andere kant, binnen in het station. Het was een hele knappe man, dat viel me meteen op en ik vond het meteen vreemd dat me dat opviel. Waarom zouden zwervers niet knap kunnen zijn. Hij leek uit een reclame voor shag gelopen, iets met een cowboy, iets met the outback. Iets in hoe hij zijn handen hield verraadde hem, vertelde dat hij niet gewoon een woeste man was, niet gewoon iemand, maar dat er iets mis was, iets in hoe hij bijna onzichtbaar iets aan het mompelen was. Ondertussen scheen de zon alsof de wereld niet in elkaar aan het donderen was en hij stond daar maar, ogen dicht, lichte glimlach rond zijn mompelende lippen, handruggen naar de zon. Hij stond fier rechtop. Ik vertraagde mijn pas, zodat ik langer naar hem kon kijken, terwijl de rolkoffers om me heen ratelden. Toen schoof er een houten stalletje met daarin een spoorwegmevrouw mijn beeld in. Ze keek me aan, keek over haar schouder naar de meneer en keek me toen weer aan. Wat sta jij nou naar die arme man te kijken?. Dat zei die blik. Ik draaide snel mijn hoofd weg.
Toen ik verder liep schaamde ik me, terwijl ik, als ik er zo over nadenk, helemaal niets had om me over te schamen en die meneer helemaal niets deed waarmee hij betrapt kon worden.

2.
“Toch grappig,” zeg ik tegen het meisje van de koffie- en pastazaak. “Ik zie hier elke zaterdagochtend dezelfde mensen zitten.”
Ik geef zaterdagochtend les in Den Bosch en sta dus iedere zaterdagochtend om negen uur stipt een koffie te kopen op het station, ook al neem ik me iedere zaterdagochtend voor om dat niet te doen, want: teringduur die koffie.
“Die meneer in die stoel,” zeg ik. “Die zat er de laatste drie zaterdagen ook.”
Ik wijs naar de koffiebar naast de koffie- en pastatent. Het meisje leunt over de balie en kijkt.
“O ja, dat kan zeker kloppen.”
We kijken naar de man. Hij neemt tevreden een slok uit zijn mok.
“Maar hij zit er doordeweeks ook de hele dag.”
“O,” zeg ik.
“Tja,” zegt het meisje.
Ik dacht dat ik iets ontrafeld had. Een structuur had ontdekt waarin anderen entiteiten zich op dezelfde plekken begeven als waar ik me bevind. Iedere zaterdagochtend op het station bij de koffietent. Maar hij zit daar altijd.
“Er zijn heel veel mensen die hier een hele dag rondlopen,” zegt het meisje. “Iedere dag.”
“Dus jij ziet dat allemaal?” zeg ik.
“Ja,” zegt het meisje. “Allemaal.”
“Ik ben jaloers,” zeg ik. Ik pak de beker koffie op. Ik meen dat.
Het meisje haalt haar schouders op.
“Ach,” zegt ze.
Ach.

3.
In de trein vertelt een meneer aan zijn kleinzoon steeds opnieuw de route, want er mag natuurlijk geen stilte vallen. De jongen hangt in de treinstoel. Hij kijkt uit het raam.
“Nu zijn we in Nijmegen en dan zo meteen nog Oss en dan zijn we in Den Bosch. Het is een hele rit. Een hele rit. Maar eerst Oss. Ik vind het nog wel heiïg in Nijmegen, terwijl ik had verwacht dat zoiets rond deze tijd wel weggetrokken moest zijn. Maar goed, eerst Oss.”
De jongen kijkt en kijkt en kijkt en ik herken die blik wel, ik had die ook als puber, dan dacht ik aan hele andere dingen, fantaseerde ik over roem en rockbands en populair zijn en knap.
Pas zag ik het populairste meisje van de middelbare school lopen, ze zag er uit als een moeke, behangen met kinderen, ongelukkig en uitgeblust en ik dacht: als mijn dochter ooit zich ongelukkig voelt omdat ze geen roem heeft, niet in een rockband zit en niet populair is, dan vertel ik haar over dat moment. Niets verwijst echt vooruit naar wat komen gaat. Alles gebeurt maar gewoon. Een zwerver in de zon, de man die er altijd zit, dat gebeurt allemaal maar gewoon en stopt ook gewoon als dat de kosmos zo uitkomt. Ik kan daar veel te lang over nadenken.
Behalve het spoor.
De opa voorspelt alles juist. Steeds opnieuw.
“En dat was Oss, we zijn er nu bijna. Nog vijf minuten. Dan zijn we in Den Bosch. Dan zijn we er.”
“Eindelijk,” mompelt de jongen.
“Juist!” zegt de opa monter.
Juist.

Sta op en rise like a phoenix

Omdat ik zelf op één arm een baby heb, en met de hand aan de andere arm afwisselend eet en aan broodschrijfklussen en mijn roman typ, vroeg ik de immer geweldige Quirijn Lokker om dit jaar een voorbeschouwing over het Songfestival te schrijven.
En dat wilde hij!

white_square.jpg

Hoeraaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

Hoeraaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

white_square.jpg
white_square.jpg

***

white_square.jpg
white_square.jpg

Han vraagt via de sms: “Zeg, wil jij de voorbeschouwing voor mijn blog schrijven? Ik kom er dit jaar niet uit.”
“Of ik de voorbeschouwing voor haar blog wil schrijven! Zo gaaf,” zeg ik.
Mijn scharrel hangt rokend tegen de deurpost van het balkon en kijkt me meewarig aan.
“Voor het songfestival! Volgende week!”
Zijn glimlach wordt een beetje spottend en hij stelt me de vraag die iedere songfestivalfan sinds de deelname van Jetty Pearl en Corry Brokken aan de eerste editie in 1956 te horen krijgt: “Vind je dat écht leuk ja?”

Ja, dus. Ik weet natuurlijk ook wel dat er mensen zijn die het songfestival vreselijk vinden. Maar ik dacht dat die in mijn leven in dezelfde categorie vielen als klimaatsceptici, Thierry Baudet-stemmers en niet-vaccineren activisten: ze bestaan, ze hebben geen gelijk en ik kom ze in mijn dagelijks leven niet tegen. Ik had nota bene met deze jongen in bed gelegen.

“Natuurlijk vind ik dat écht leuk”, en voordat ik het goed en wel doorheb begin ik hem te overtuigen. Terwijl ik de, in de laatste maanden grijsgedraaide, “deze gillende meiden doen mee aan het songfestival 2017” spotify-lijst aanzet vertel ik een onsamenhangend verhaal waarom óók hij het songfestival fán-tás-tísch zou moeten vinden.
Ik klik Space aan, de inzending van Montenegro. Het enige liedje met “explicit” naast de titel, een semi-hijgende zanger die teksten als “wet dreams, wild nightmares, I surrender, come into me fromwithin” combineert met zichzelf halfnaakt in allerlei bochten te wringen terwijl hij een anderhalve meter lange vlecht met zijn handen in het rond slingert. Je hoeft geen Freudiaans geschoolde psychotherapeut te zijn om te snappen waar dit liedje eigenlijk overgaat. Laat ik het zo zeggen, zijn moeder was waarschijnlijk een vreselijk wijf. Toch zijn het juist deze liedjes die het songfestival fantastisch maken. Een inzending die “unapologetically” zichzelf is, die met een enorme homoseksuele act de woonkamers van Europa binnen dendert. Zoals hij zelf zegt in een interview op gay.nl: “Ik ben zo dankbaar dat ik een inspiratie voor de LHBT-gemeenschap ben geworden […] het meest belangrijke deze periode vind ik dat de wereld mij gaat zien en dat ik mensen kan inspireren!”
Lieverd, ik help het je hopen.

Eerlijk, tuurlijk zijn de liedjes hysterisch, de acts soms om te huilen en is het punten geven op de bank heel gezellig, maar het allermooiste aan het songfestival is toch het politieke. En dan bedoel ik niet dat gezever dat landen uit Oost-Europa alleen punten geven aan elkaar of dat Oekraïne vorig jaar won vanwege de Krim-oorlog en niet vanwege het liedje. Het mooie zijn de statements, vaak expliciet en vaak ook pijnlijk.

Als klein ventje zong ik al stiekem mee toen Dana International, als eerste transvrouw op zo’n enorm podium, als winnares werd gekroond. Ik moest janken toen Conchita Wurst een paar maanden na de introductie van anti-homowetten in Rusland het songfestival won. In 2014 stopte de Zweedse organisatie een homohuwelijk en een kus in een musicalliedje tijdens de puntentelling. Ze deden dit zo snel dat ze de Russische televisie, die geneigd is onwelgevallige beelden en statements uit de uitzending te knippen, te snel af waren. Een jaar daarvoor was de Finse inzending het lied “Marry me” waarmee de zangeres de Finse regering bekritiseerde voor het nog steeds niet legaliseren van het huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen. Ze eindigde haar optreden met een lange kus met een van haar bruidsmeisjes.
Maar op dit moment worden er in concentratiekampen in Tsjetsjenië homo’s gemarteld en vermoord, en worden families onder druk van de overheid gedwongen hun eigen zoons en neven te vermoorden omdat ze homo zijn. De songfestivalkaravaan is ondertussen aangekomen in Kiev waar vorige week neo-nazi’s het verven van een monument in regenboogkleuren tegenhielden omdat dat LHBTI-propaganda zou zijn. Het kantoor van de Oekraïnse LHBTI-organisatie LIGAwerd overvallen en gesloopt terwijl wij in de voorpret van het festival het motto van deze editie “CelebrateDiversity” al 100 keer voorbij zagen komen.
Het songfestival is hierom fantastisch. Dat LHBTI-activisten in Armenië en Oekraïne net zo hard mee-blèren en dansen op Rise like a Phoenix en Space als wij. Dat we drie avonden lang kunnen doen alsof de wereld net zo fijn is als die paar vierkante meter in Kiev. En dat het me hoop geeft dat al die mensen die over de hele wereld zitten te genieten van SlavkoKalezic die met zijn vlecht staat te spelen uiteindelijk de meerderheid gaan worden.

Ik zucht en druk mijn peuk uit in de asbak.
O ja.
Ik zou een voorbeschouwing schrijven.
Want Hanneke kwam er niet uit vandaag.
En ik dus ook niet.
Maar beter nog: de voorbeschouwing is een liefdesverklaring geworden, en zo hoort het ook bij het Songfestival.
Mijn scharrel kijkt me aan met een gezichtsuitdrukking die waarschijnlijk heel erg leek op die van mij toen hij even daarvoor dolenthousiast vertelde dat Ajax in een of andere finale gewonnen had van een Franse club. Ik klap mijn laptop dicht, mopper iets over de Coolsingel, en trek hem mee naar de slaapkamer.
Tocelebratediversity.
Natuurlijk.

white_square.jpg
white_square.jpg

Quirijn Lokker is antropoloog, ex-barman-extraordinaire, trainer op het gebied van seksuele, gender en culturele diversiteit én, vindt Hanneke Hendrix dan, het Nederlandse antwoord op Graham Norton. (Al mocht ze dat laatste niet zo van hem opschrijven, maar fuk it, dit is haar blog.)