Al de hele dag in mijn hoofd:

white_square.jpg

april

white_square.jpg

Maanden verdragen het niet wanneer je slecht over ze schrijft
het zijn net mensen. Het zijn net voicemails.
Normaal beleef ik hier vreugde aan, maar met koude
handen is alles anders: oorlogsmonumenten, pensioenen,
gaarkeukens, dat zwaaien met vlaggetjes, telefoon van ver.
Het zijn, een soort, van ongevraagde openbaringen, zoals
hoe het is om te zitten op hout
zonder vlees ertussen.
Lief dat je het vraagt, lief dat je het vraagt
laten we de formaliteiten maar even achterwege laten.
De maand ligt achter ons.
De wind houdt aan.
De dag is nauwelijks half om en nu al
blijkt hier van alles zoek.

white_square.jpg

Adriaan Jaeggi
(3 april 1963 – 10 juni 2008)

white_square.jpg

Via Jasper Henderson.

oranje

Ouderwets een steekje los

Over straat zag ik een oud meneertje dat in zichzelf praatte. Hij had geen headset in zijn oor, nergens was een mobiele telefoon te zien. Hij sprak gewoon in zichzelf, in zijn hand bungelde een plastic zak van de Albert Heijn.
Hij zag er netjes uit.
Iemand had hem die ochtend nog aangekleed en naar de supermarkt gestuurd. De plastic tas zag eruit alsof hij ook net was aangeschaft, niet als een tasje dat thuis opgefrommeld samen met een miljoen andere tasjes achter de radiator zat te wachten tot ze werden hergebruikt. Het zag er ook niet uit als een tasje dat hij elke dag gebruikte wanneer hij de straat opging omdat hij niks anders had.
Ik was opgelucht dat ik eindelijk weer eens iemand op straat zag die gewoon in zichzelf sprak in plaats van in een mobiele telefoon. Dat iemand gewoon weer ouderwets een steekje los heeft.

Houden van Pleidooi

Bep zit thuis achter een naaimachine, Victor heeft net zijn excuses aangeboden en hun ruzie goed gemaakt.

VICTOR
Weet je wat? We flikkeren de ouwe dossiers in de nieuwe kasten en we beginnen gewoon opnieuw. Met goeie voornemens.
(stilte)
En onderweg koop ik een nieuwe dekbedhoes voor je, want dit wordt toch niks.

BEP
Een jurkje, Victor. Een getailleerd jurkje.

white_square-outlined1.jpg

Klik.

Op boekenjacht

Ons stukje straat is in de loop der jaren zo’n bekend stukje straat geworden dat ik bij het bestellen van iets op internet niet meer “Mag niet bij de buren worden afgeleverd” aanvink. Als ik thuiskom ligt er een briefje op de mat dat mijn boeken op nummer 72 zijn afgeleverd en nummer 72 is een busjesverhuurbedrijf. En wel een busjesverhuurbedrijf zoals ze niet meer gemaakt worden. Ik ben er al eens eerder binnen geweest, ook voor een pakje. Er stond nergens een computer, op het bureautje lagen kasboeken, agenda’s en roosters, er lag bruine vloerbedekking en het rook er naar sigaretten. Het rook er naar vroeger, naar hoe het rook toen ik als kindje wel eens bij mijn opa de hele middag in de garage in de papierbak lag te spelen. Precies zo.
Geur werkt beter dan foto’s en beter dan muziek, als het gaat om het je terug te laten katapulteren in de tijd.
Hoe dan ook: ik loop met het briefje in mijn hand naar nummer 72. Buiten is het koud. Het regent. In het kantoortje is het warm. Weer die sigarettengeur. Er gaat in de verte zacht een zoemer. Ik wacht. Er tikt een klok. Er hangt een kalender met foto’s van dure auto’s. Op het bureau staat een grijze plastic toetstelefoon, het middenstuk van de hoorn is zwart van al die jaren bellen met smeerhanden. Er komt niemand door de tussendeur het kantoor in. Ik maak de voordeur nog een keer open en dicht. Weer hoor ik in de verte een zoemer. Er klinkt geraas van water uit de garage die achter het kantoortje moet liggen. Dan pas valt me een raam op dat slordig wit geverfd is. Ik zie de contouren van een busje in schaduwen getekend op het wit en in de verte hoor ik door het geraas heen nu ook iemand zingen. Ik open de voordeur nog een keer, sluit hem weer, kijk weer rond.
Dan zie ik mijn pakje. Het staat in de kast achter het bureau. Ik kan de naam en het adres niet lezen, maar ik weet zeker dat het van mij is, want op de doos staat heel groot CENTRAAL BOEKHUIS. De mannen van het busjesverhuurbedrijf lijken me veel, maar geen mannen die een boekendoos trots in de kast zetten, alsof het een trofee is. Ik open en sluit de voordeur nog eens. Ik hoor nog steeds gezang en dan zie ik de contouren van een man met een hogedrukspuit rond de contouren van het busje lopen. Hij zingt.
Ik wacht nog even.
Ik kijk naar mijn boekendoos.
Ik wacht nog even.
Dan ren ik achter de balie, langs de bureaustoel, leg mijn briefje neer, pak de doos en ren als een dief de deur weer uit.
Thuisgekomen heb ik een adrenalinekick en daarna voel ik me sneu dat ik tegenwoordig van zulke kleine zaken al een adrenalinekick krijg. Maar ik ben nu wel twee boeken rijker. Twee boeken die ik als op jacht heb moeten verkrijgen.

De wereld is gek geworden

1. Als we over de grens van Duitsland naar Nederland over rijden, is er een controle door de marechaussee. Er zijn drie personenauto’s aangehouden, verder mag iedereen doorrijden.
Uit de drie aangehouden auto’s stappen elf dronken zwarte pieten en een dronken Sinterklaas.

2. Een spichtige magere mevrouw met droogkap-kapsel loopt voorbij in de rijdende trein en schreeuwt geërgerd tegen haar man: “DE TREIN RIJDT GOVVERDOMME ACHTERUUT!”

3. Naast ons in het restaurant zegt een boerenjongen met een zwaar Brabants accent tegen zijn vader of zijn internetdate of zijn oom of iemand anders waarmee het ongemakkelijk praten is: “Ja, nee, een vriendin van me doet ook aan automutilazie.”
Dan is het even stil.
“Maar nie’ heel errig.”
Weer een stilte.
“Ja, ik snij m’n eigen ook wel eens. Maar dat is dan uit lompigheid.