Frisse lucht

De hooiman is stil. De hooiman is normaal nooit stil. Normaal praat hij aan één stuk. Vandaag niet.
Het is wel fijn, zo stil.
“Het is wel fijn zo, stil”, zeg ik.
Hij heeft zijn dikke vingers rond zijn mok en ik sta aan het fornuis.
Ik roer in de soep.
Snij prei.
Gooi af en toe een klets koffie in de hooimans mok.
“Volgens mij heb ik een tumor”, zegt de hooiman ineens, alsof dat moment de enige seconden waren waarin het van het universum toegestaan was om ze te zeggen.
Hij schraapt zijn keel. Op de manier waarop mijn vader altijd zijn keel schraapte als er weer een Fa-reclame op de televisie was.
“Wat is een tumor?”, vraagt het meisje.
(Oh ja, weet u nog? Dat meisje voor de deur? Haar de deur uitwerken is tot dusver niet gelukt. Ze heeft op een gegeven moment zelf de meterkast maar uitgeruimd en ingericht, toen ze de bank moe was. Ze smeert veels te veel stroop op haar brood, maar verder zorgt ze prima voor zichzelf…
Dat is eigenlijk ook helemaal niet gezond, denk ik nu zo. Zo’n klein meisje dat al helemaal voor zichzelf zorgt. Er moet toch eigenlijk iemand zijn die de haren van zo’n deerndel kamt. Ik doe het niet.
Afijn, dat is een heel ander verhaal. Het punt is dat ze dus ook aan tafel zit. Daar zit ze nu eenmaal ‘s middags, om roosvicee te drinken en plakhanden te krijgen.
Maar goed, verder met het verhaal.)
“Wat is een tumor?”, vraagt het meisje.
Ze kijkt op. Haar kin is nat, ze drinkt haar roosvicee graag uit een soepkom met één oor. De hooiman zucht.
Hij deelt mij niet graag.
“En wat doe jij hier eigenlijk?”, zegt de hooiman terwijl hij over de tafel heen naar haar toe buigt “ik ken jou helemaal niet.”
“Ik woon hier in de gangkast. Het koordje van het peertje hangt tot op de grond, dus ik hoef mijn bed niet uit als ik het licht uit wil doen.”
“Dus jij woont hier in de gangkast”, snuift hij “en je hebt een lampje met een koordje bij je bed.”
“Gehad van haar”, ze wijst naar mij ” en er hangt een kraal aan het eind.”
“Nou, leuk is dat. Ik krijg nooit niks hier.”
“Je mag ook wel een keer”, zegt het meisje “maar jij hebt toch al een tumor gehad?”
“Ik kook gewoon die soep en niemand heeft hier een tumor gehad”, zeg ik en ik brand mijn lip aan de soep die ik proef.
Ik vloek.
“Dat heb jij niet gehoord”, zegt de hooiman tegen het meisje.
“Wat is een tumor?”
Ik heb mijn bovenlip in mijn mond gezogen en ik kijk de hooiman aan. Ik hef vragend mijn wenkbrauwen op. Met een theedoek dep ik de plas roosvicee van het tafellaken.
“Dat is zo iets als kanker”, zegt de hooiman bits “en daarom heb ik ook liever niet meer dat zij loopt de roken in de keuken als ik koffie kom drinken.”
“Ik bepaal nog altijd lekker zelf wel of ik in de keuken loop te roken als jij koffie komt drinken.”
“Weet jij wel dat ik nu heel veel frisse lucht nodig heb?”
“Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?”
“Weet jij wel hoe erg dood ik van jouw rook ga?”
“Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?”
“Ik zeur niet, ik weet alleen dat ik van jou steeds heel erg meerook.”
“Jullie lijken wel een potje ping pong!”, zegt het meisje “ping, pong, ping, pong.”
Triomfantelijk houdt ze een koekepan omhoog.
Ik sla het deksel met een klap op de soeppot.
“Nou. Klaar. Jij pakt zelf maar, dat gaat prima met die stomme tumor van je en die dikke armen. En jij, met je vlechten, waag het niet om weer een hele landkaart op dat tafellaken te maken.”
“Ik kan dit er nu echt niet bij hebben”, zegt de hooiman en hij masseert met zijn wijsvingers zijn slapen. Met een zwiep gooi ik de natte theedoek naar zijn hoofd.
“Het zit allemaal in je kop!”, roep ik terwijl ik de gang in been.
“Ja! Wrijf het er maar in!”, roept de hooiman me na.
“Ja!”, hoor ik het meisje nog net “heel gemeen van jou!”
Ik sla de buitendeur achter me dicht.
Er waait een nat herfstblad tegen mijn wang. Laat maar plakken. Ze doen allemaal maar.
Ik sla op mijn zakken voor mijn sigaretten.
Eerst even wat frisse lucht door de filter trekken.

Sop

De hooiman zit in bad. Hij is een beetje ziek. Ik zit op een krukje en ga af en toe met mijn handen door het schuim. De hooiman houdt van veel schuim.
“Ik hou van veel schuim”, zegt de hooiman “al wordt mijn huid er wel een beetje droog van. Ik kan niet te vaak in een bad met schuim.”
Ik blaas wat vlokken naar zijn hoofd.
“Sop”, zegt de hooiman en hij niest.
De hooiman is een beetje triest. Maar de hooiman is altijd een beetje triest.
Het past eigenlijk helemaal niet bij zo’n grote man.
Die middag regende het pijpestelen toen de bel ging. Toen ik de deur opendeed stond hij zijn neus te snuiten. Hij had zijn hoofd begraven in de opgezette kraag van zijn spijkerjackje en het regenwater liep in straaltjes van de zoom. De hooiman heeft een breed bovenlijf en hele korte beentjes. Zijn broek was nog helemaal droog.
“O, daar ben je al”, zei hij toen hij de zakdoek van zijn gezicht haalde.
“Koffie?”, zei ik.
De hooiman nieste. Hard. Zonder zijn hand voor de mond te houden.
“In bad dan maar?”
Ik veegde de druppels van mijn hoofd.
“Ik ben een beetje ziekig”, zei de hooiman.
“Met schuim?”
De hooiman speelt een beetje met het sop.
“Eigenlijk past het van geen meter.”
De hooiman is veel te groot voor mijn badkuip. Ik woon klein.
“Ik woon gewoon klein”, zeg ik “dan past er ook geen groot bad in.”
“Nee, wij.”
“Wij passen niet?”
“Nou ja, ik werk op de bouw. Jij zit de hele dag achter je tiepmachine.”
“Dat is gewoon verschillend. Dat wil nog niet zeggen dat het niet past.”
“En ik heb de hele dag de drang om te praten. Om bij iemand te zijn.”
“Ik praat toch ook graag. En daarbij, pas heb je een keer twee dagen niet gebeld.”
“Toen wilde ik alleen zijn.”
“Nou dan.”
“Maar dat wil niet zeggen dat ik dan niet de hele dag aan andere mensen zit te denken.”
“Je bent gewoon beetje sip. Dan neem je alles zo zwaar.”
“Dan denk ik aan iedereen en dan weet ik gewoon dat iedereen niet de hele dag aan mij loopt te denken.”
Ik droog mijn handen aan mijn rok en kijk naar de tegels. De tegels zijn vies.
“Ik weet dat ik gelijk heb. Je kijkt weg.”
“De tegels moeten schoon”, zeg ik.
“Het is heel frustrerend, weet je dat? Dat weet jij niet.”
Ik zucht.
“Wat is frustrerend?”
“Dat ik altijd bezig ben het iedereen naar de zin te maken. Jou ook. En niemand merkt het.”
“Ik ben heus niet niemand. Ik ben gewoon anders dan jij.”
“Dat zei ik net. Zie je wel, je luistert helemaal niet naar me. Ik zeg net dat wij niet passen.”
“Het is heus niet dat ik het niet merk.”
“We passen gewoon niet. Ik vind dat heel stom. Dat wij niet passen.”
Ik trek de stop eruit.
“Mijn sop!”, zegt de hooiman.
“Nu is het wel weer genoeg” zeg ik en ik sta op.
“Ik ga koken. Jij met je sip en je sop.”
Want soms moet de hooiman ook maar eens ophouden met dat gezeur.

Snotneus

De bel ging.
Ik schrok. Normaal klopt men op mijn raam. Ik vind het fijn als mensen op mijn raam kloppen.
Maar vandaag ging de bel.
Ik opende de deur. Niemand, maar ik voelde iets aan mijn rok. Ik keek omlaag.
Een klein blond meisje met twee staartjes en een duim in haar mond. Met haar andere hand had ze mijn rok vast.
“Hoe kom jij bij de bel?”, vroeg ik.
Ze bleef stil.
“Heitje voor een karweitje?”
Ze haalde haar duim uit haar mond.
“Wat is een heitje?”
“Dat is een soort kwartje.”
Althans, dat denk ik. Ik weet eigenlijk ook niet wat een heitje is.
“Wat is kwartje?”
“Wil je roosvicee?”, vroeg ik.
Ik hou helemaal niet van kinderen.
Ze knikte.
Ik zette haar op een keukenstoel en maakte een beker drinken voor haar. Ik hou niet van kinderen, maar ik hou van hoe ze dranken altijd gewoon drinken noemen.
“Waar is je moeder?”, vroeg ik.
“Ik blijf hier.”
“Pardon, lieverd. Dat gaat niet.”
“Ik was steeds aan het zoeken. Naar jou.”
“Nee hoor. Je gaat gewoon terug naar je moeder.”
“Weet je nog wat je zaterdagavond zei?”
“Ik zei wel meer zaterdagavond. Daar weet jij niks van.”
Snotneus. Ik hou niet van kinderen.
“Waarom jij zo graag tiept. Waarom jij zo graag pratende mensen tiept.”
“Drink je drinken.”
Ze dronk.
“En niet knoeien. Dat tafellaken komt net uit de was.”
Ze zuchtte.
“Je snapt het niet.”
“Ik snap het allemaal prima. Jij bent nog klein.”
“Je denkt dat het kan. Dat gesnap. Maar dat gaat niet. Echt niet.”
Ze nam een grote slok.
“Vandaar”, zei ze in haar beker.
“Vanwaar?”
“Jij denkt dat het een rekensommetje is. Dat tiepte je toch? Dat er een uitkomst kan. Als je maar goed rekent.”
“Jij bent een snotneus.”
Zo.
Het mag best wel eens gezegd worden. Die kleintjes worden steeds bij-de-handter.
“En jij kan niet rekenen. Jij hebt nooit kunnen rekenen. Bij juffrouw Maria al niet. Had je een onvoldoende voor tafeltjes. In je klas haalde niemand een onvoldoende. Ja, alleen Rob. Maar die was blijven zitten. En z’n vader was vrachtwagenchauffeur. Dan hoef je ook geen tafeltjes. Er hoeven geen tafeltjes in een vrachtwagen.”
Ik leunde mijn hoofd in mijn handen en keek naar haar.
“Wil je nog wat?”
“Je moet eens bij het begin beginnen. Bij mij. En mij drinken en eten geven.”
“Ik vraag je net of je nog wat wilt.”
“Voordat je de som kunt oplossen moet je eerst snappen hoe de cijfers heten.”
“Tellen.”
“Nee, eerst snappen voordat je gaat tellen. En niet alleen maar doen alsof naar de juf. Vandaar.”
“Wat heb jij grote neusgaten”, zei ik.
Ze had echt grote neusgaten voor zo’n klein hoofd.
“Kijk jij naar jezelf”, zei ze.
Nu ligt ze op mijn bank te slapen. Ik was haar al een beetje vergeten. Nu moet ik het er maar gewoon mee doen. En eens beginnen met de getallen in plaats van dat tellen en snappen de hele dag.
“Acht”, zeg ik “acht is mijn lievelings. Dat is een begin toch?”
Ze mummelt wat in haar slaap.
Snotneus.
Vooral met zulke grote neusgaten.

Jij ook altijd

“Ik dacht niet dat je altijd… Helemaal niet. Ik dacht alleen maar steeds dat je nooit…”
“Kom nou maar hier heen”, zeg ik.
Ik hang op.
Er moet maar weer koffie worden gezet.
Sterke koffie.
“Ik hoef geen koffie”, zegt de hooiman als ik met de koffiepot in mijn hand de deur open doe.
“Ik word de laatste tijd helemaal trillerig van koffie. Heb je iets anders?”
“Thee?”
Het blijft stil.
“Ik heb ook roosvicee. Met alleen fruit. Zonder suiker. Daar word je dun van.”
De hooiman kijkt me aan.
Ik maak een glaasje roosvicee voor hem.
“Wat dacht je nou dat ik niet altijd? Dat ik nooit?”, vraag ik
“Dan lig ik zo in bed en dan heb ik helemaal geen zin om op te staan. Dan lijkt het of ik alleen maar de dekens heb. En ik vergeet de laatste tijd zoveel. Niet van die grote dingen, maar woorden en namen. En wat ik gister deed. Dan lig ik in bed en dan weet ik niet meer wat ik gister deed. En dan wil ik er niet uit.”
“Je bent er nu toch uit.”
“Ik snap niet waarom je altijd voor me klaar zou staan. Ik dacht steeds dat je het nooit echt… Nou ja.”
“Dat ik nooit wat?”
“Dat je het nooit echt op prijs stelt. Dat ik er ben.”
“Hoe kom je daar nou bij?”
“Ik zeur alleen maar.”
“Ik vind grote mannen die zeuren juist leuk, hier zo aan mijn keukentafel. Ik dacht altijd dat je was zoals je eruit zag, maar dat is helemaal niet.”
“Log.”
“Groot. Iemand met grote verweerde handen lijkt altijd niemand nodig te hebben. Ik vind het fijn als je hier voor de deur staat.”
“Dacht jij altijd dat ik niemand?”
Ik vul zijn glaasje nog eens bij. Hij slurpt als hij drinkt. De hooiman heeft altijd dorst.
“Jij hebt ook altijd dorst.”
“Ik drink soms wel een liter water per nacht.”
Hij drinkt zijn glas leeg. Hij morst een beetje.
“Jij belt mij nooit om te vragen of ik roosvicee kom drinken.”
“Ik bel je toch heus ook wel eens?”
“Jij belt mij nooit. Nooit”, zegt de hooiman bits.
“Nooit?”
“Nooit.”
“Ik dacht dat ik soms… Ik bel heus wel soms.”
“Nee nooit. Ik altijd”, de hooiman kijkt nu zelfs boos.
“Nou zeg.”
Het is even stil. De hooiman houdt zijn glas aan zijn mond om de laatste druppel roosvicee zijn naar binnen te laten lopen.
“Ik bel jou nooit.”
“Nee”, zegt hij in zijn glas. Het beslaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
De hooiman kijkt op. Hij wil het glas op weg zetten, maar het blijft halverwege de tafel in de lucht hangen.
“Natuurlijk nooit?”
“Als ik jou steeds zou bellen dan kan ik hier wel koffie en roosvicee aan blijven slepen. En wat te denken van al dat bier dat jij verstouwt ‘s avonds. Ik zou bankroet gaan. Door al dat vocht dat jij altijd.”
“Ik… Maar..”
De hooiman kijkt me aan. Hij zet het glas met een klap op tafel.
“Jij ook altijd!”, roept de hooiman. Ik lach.
“Ík ook altijd?”, roep ik terug.
Ik spring op zijn schoot. Ik sla mijn armen om hem heen en hij slaat die grote van hem om mij. Ik begraaf mijn hoofd tussen zijn nek en zijn schouder. De hooiman zucht.
“Jij ook altijd.”

Pips

“Ik voel me niet zo lekker”, zei de hooiman door de telefoon. “Wat heb je dan?”, vroeg ik. Ik keek naar buiten, er hipte een dikke duif door de tuin. “Nou gewoon, een beetje pips.”
De hooiman zat aan de keukentafel en ik roerde door de soep. Er is niets dat een goeie pan soep niet goed kan maken. Of je nou pips bent, of sip. Goeie soep is een deugd. “Goeie soep is een deugd”, zei ik tegen de hooiman. “En als ik dan zo doe,” zei de hooiman en duwde zijn hoofd richting zijn schouder “dan trekt mijn hele spier aan die kant mee.” Hij wees naar zijn atlasspier. “En ik voel het ook in mijn rug.”
Ik ging achter de hooiman staan en legde mijn handen in zijn nek. De hooiman heeft een stierenek, zo één waarbij het lijkt of zijn hoofd direct in zijn schouders overloopt.
“Je nek is één grote knoop!”
De hooiman zuchtte. Het klonk een beetje als een snik.
“Ik vlieg thuis tegen de muren op, dus ik dacht, ik bel jou maar. Het is hier altijd zo fijn.” We keken door het keukenraam de tuin in. “Kijk, de rhododendron is al helemaal uitgebloeid”, zei ik en wees. “Wat moet jij hier vaak voor het raam hebben gestaan, toen je hier net woonde. Met zo’n tuin.” “De meubels waren er nog niet en de verwarming die was stuk. Dan zat ik met een dekentje om, hier voor het raam op een krukje. De hele avond. Met een fles juttersbitter. Ik denk dat ik toen op mijn gelukkigst was.”
Ik kneedde de schouders van de hooiman. Zijn spieren leken wel staalkabels. We waren stil. Buiten viel de schemering in en het keukenraam wierp een vierkant van licht op het gras. De soep was klaar.
“De soep is klaar”, zei ik, haalde mijn handen van zijn schouders en liep naar het fornuis.
“Als jij dat soort dingen zegt dan lijkt het altijd alsof mijn hart ontploft”, zei de hooiman snel, zonder pauzes tussen de woorden. “Dat de soep klaar is?” “Nee, dat je daar zo alleen voor je raam zat en dat dat goed was. Dan zie ik jou zo zitten. Dan wil ik ook wel op een krukje.”
Ik nam een groot bord soep en zette het voor de hooiman neer.
“Jij kunt helemaal niet op een krukje. Jij bent een veel te grote man voor zo’n klein krukje.”
Ik sloeg mijn armen om zijn bonkige lijf heen. Ik kon net mijn wijsvingers in elkaar haken. Ik drukte hem tegen me aan en wiegde hem een beetje.
“Je ziet er al een stuk minder pips uit.”

Eigenlijk ben ik een heel gevoelige jongen…

“Eigenlijk ben ik helemaal niet zo’n leuk mens”, zei de hooiman aan de keukentafel. In zijn handen leek de koffiemok klein. Grote handen, nee, knuisten. De hooiman heeft knuisten.
“Ik zeur teveel en wil altijd alles uitleggen.”
Hij keek in zijn koffie en zuchtte.
“In de kantine dulden ze me nog wel, maar ik merk dat ze toch liever over de lucht en de televisie praten. Ik wil vertellen waarom ik mijn koffie zo graag met een lepeltje drink, terwijl ik helemaal geen melk en suiker gebruik. Ik moet altijd meteen vertellen wat ik gisteren deed. Ik ben steeds bang dat ze me verkeerd begrijpen.”
“Je denkt teveel”, zei ik. Ik ging op het aanrecht zitten. Buiten sloeg de regen tegen het raam.
“Denk je soms dat ik dat voor de lol doe? Dat ik dat uit kan zetten?”
“Wat denk je zelf?”
“Je snapt er niks van.”
“Zou je denken.”
“Ik weet ook niet waar het vandaan komt. Ik ben de hele dag bezig met me afvragen wat die anderen nou van me willen. Of van me denken. Dan denk ik dat ze denken dat de hooiman iets heeft gestolen, terwijl ik het alleen verplaatst heb. Dat ik de kantjes er vanaf loop als ik eerder naar huis ga, terwijl ik gewoon een uur voor het begin van ieders dienst begonnen ben. Dat wil ik ze dan allemaal vertellen. Omdat ik anders bang ben dat ze denken dat ik… dan wil ik dat goed maken. Met grapjes, of een aai. Maar de jongens in de kantine willen helemaal geen aai.”
Ik liet de gewrichten van mijn enkel knakken. Dat doe ik graag als ik denk. Een frons stond de hooiman slecht.
“Misschien is het zo dat de wereld helemaal niet zoveel met je bezig is. Misschien is het zo dat de wereld eigenlijk helemaal niet om jou draait. En denken de jongens in de kantine niet zoveel aan je. Niet zoveel als jij aan hen. Denk je niet?”
“Denk je?”
“Me dunkt.”
Zijn verweerde vingers rolden een sjekkie.
Hij zuchtte weer. Ik liet me van het aanrecht glijden en ging naast hem staan. Hij hing zijn hoofd tegen mijn buik en ik ging met mijn vingers door zijn haar. Er zat smeer in.
“Maar ik wil wel een aai”, zei ik “ik wil best graag een aai van je.”