Hoezee!

“Ik kan dit jaar echt niet mee.”
“Je zegt echt al bijna tien jaar, ieder jaar dat je dìt jaar echt niet meegaat.”
“Maar nu kan ik echt niet. De voorgaande jaren had ik gewoon geen zin, maar nu heb ik echt geen geld. Ik kan niet drie maanden op zijn zak leven en dan wel naar Lowlands gaan.”
Zonder Eefa is Lowlands gewoon niet compleet.
“Hop. Jij gaat dit jaar gewoon mee.”

En zo geschiedde.
Voor mij geen slingers aan de wand.
Maar goed, evengoed: Hoezee! Eefa gaat mee!

Gehavend, doch strijdlustig

Ik moest wel even wat tranen wegslikken toen ik mijn geliefde verslaving zo gehavend op het scherm zag verschijnen. Misschien weten een paar van jullie wel hoe trots ik ben op m’n site.

Die Harm zo mooi in elkaar timmerde, anderhalf jaar geleden (toen hij aan Jnnk vroeg hoe hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt.nl er uit moest zien en zij “doe maar iets met bruin” antwoordde) en nu weer, als een man met een kapmes in de wildernis die Flexwebhosting heet, de vrijplaats van mijn neuroses van de ondergang redde.

Zucht. Doordat de bovengenoemde jungle-provider het nodig vond mijn website (alsook die van Jnnk) van server te verplaatsen, is het hele systeem waarop hetmeisjedatopdinsdaghetbierschenkt draait ingestort.

Het was redelijk lachwekkend hoe ongeloof’lijk kwaad ik gisteren was. Binnen een half uur liet ik twee voicemails achter op de nood-06 en heb ik naar alle emailadressen die ik op de Flexfuk-website kon vinden (inclusief de administratie en de sales -waarom toch altijd dat sales? waarom niet gewoon verkoop?-) tien berichten gestuurd.
Binnen een uur belde ze me terug.

Maar goed: ze bleken niks te kunnen doen.
Harm gelukkig wel.
Vanuit Amsterdam met een illegaal opgevangen internetsignaal.
Hulde, hulde!
Klik door, die link.
En overlaad die man met blommen!

Ik ben blij dat het allemaal weer een beetje richting normaal aan het gaan is.

Snotneus

De bel ging.
Ik schrok. Normaal klopt men op mijn raam. Ik vind het fijn als mensen op mijn raam kloppen.
Maar vandaag ging de bel.
Ik opende de deur. Niemand, maar ik voelde iets aan mijn rok. Ik keek omlaag.
Een klein blond meisje met twee staartjes en een duim in haar mond. Met haar andere hand had ze mijn rok vast.
“Hoe kom jij bij de bel?”, vroeg ik.
Ze bleef stil.
“Heitje voor een karweitje?”
Ze haalde haar duim uit haar mond.
“Wat is een heitje?”
“Dat is een soort kwartje.”
Althans, dat denk ik. Ik weet eigenlijk ook niet wat een heitje is.
“Wat is kwartje?”
“Wil je roosvicee?”, vroeg ik.
Ik hou helemaal niet van kinderen.
Ze knikte.
Ik zette haar op een keukenstoel en maakte een beker drinken voor haar. Ik hou niet van kinderen, maar ik hou van hoe ze dranken altijd gewoon drinken noemen.
“Waar is je moeder?”, vroeg ik.
“Ik blijf hier.”
“Pardon, lieverd. Dat gaat niet.”
“Ik was steeds aan het zoeken. Naar jou.”
“Nee hoor. Je gaat gewoon terug naar je moeder.”
“Weet je nog wat je zaterdagavond zei?”
“Ik zei wel meer zaterdagavond. Daar weet jij niks van.”
Snotneus. Ik hou niet van kinderen.
“Waarom jij zo graag tiept. Waarom jij zo graag pratende mensen tiept.”
“Drink je drinken.”
Ze dronk.
“En niet knoeien. Dat tafellaken komt net uit de was.”
Ze zuchtte.
“Je snapt het niet.”
“Ik snap het allemaal prima. Jij bent nog klein.”
“Je denkt dat het kan. Dat gesnap. Maar dat gaat niet. Echt niet.”
Ze nam een grote slok.
“Vandaar”, zei ze in haar beker.
“Vanwaar?”
“Jij denkt dat het een rekensommetje is. Dat tiepte je toch? Dat er een uitkomst kan. Als je maar goed rekent.”
“Jij bent een snotneus.”
Zo.
Het mag best wel eens gezegd worden. Die kleintjes worden steeds bij-de-handter.
“En jij kan niet rekenen. Jij hebt nooit kunnen rekenen. Bij juffrouw Maria al niet. Had je een onvoldoende voor tafeltjes. In je klas haalde niemand een onvoldoende. Ja, alleen Rob. Maar die was blijven zitten. En z’n vader was vrachtwagenchauffeur. Dan hoef je ook geen tafeltjes. Er hoeven geen tafeltjes in een vrachtwagen.”
Ik leunde mijn hoofd in mijn handen en keek naar haar.
“Wil je nog wat?”
“Je moet eens bij het begin beginnen. Bij mij. En mij drinken en eten geven.”
“Ik vraag je net of je nog wat wilt.”
“Voordat je de som kunt oplossen moet je eerst snappen hoe de cijfers heten.”
“Tellen.”
“Nee, eerst snappen voordat je gaat tellen. En niet alleen maar doen alsof naar de juf. Vandaar.”
“Wat heb jij grote neusgaten”, zei ik.
Ze had echt grote neusgaten voor zo’n klein hoofd.
“Kijk jij naar jezelf”, zei ze.
Nu ligt ze op mijn bank te slapen. Ik was haar al een beetje vergeten. Nu moet ik het er maar gewoon mee doen. En eens beginnen met de getallen in plaats van dat tellen en snappen de hele dag.
“Acht”, zeg ik “acht is mijn lievelings. Dat is een begin toch?”
Ze mummelt wat in haar slaap.
Snotneus.
Vooral met zulke grote neusgaten.