Er is tijd, er zijn mensen

Hij zat vijftien dagen onafgebroken op zolder toen er werd geklopt. Dat was de eerste keer. Zijn vrouw had de derde dag even haar hoofd om de deur gestoken en gevraagd wat hij daar deed. Ze had niet geklopt, het was immers ook haar huis, nietwaar, en waarom zou ze kloppen, in haar eigen huis, op haar eigen zolderdeur? Hij had nagedacht. Over waarom hij daar nu zat. Hij dacht aan waar hij zou inhaken, op welk punt hij zou beginnen met zijn verhaal. Hij had voor het keukenraam gestaan met een mok koffie. Hij had niet eens nagedacht bij welke mok hij had gepakt, terwijl hij had normaal wel altijd deed, terwijl hij daar normaal wel altijd genoegen in schepte. Misschien moest hij daar beginnen, bij dat moment, dat hij daar stond en koffie dronk en voor het eerst in zijn leven echt besefte dat we allemaal sterven. Ik bedoel: hij wist dat wel, dat snapte hij heus, hij was niet dom, maar ineens voelde hij het. Wist hij het echt. Als verliefdheid, als de eerste keer dat je als kind wordt verteld dat het heelal oneindig is. Misschien moest hij daar beginnen, bij dat moment. Dat hij zijn vrouw moest vertellen over die keer dat hij aan een landweg stond en dat zijn broer zei: “Het heelal is oneindig, want als het ophoudt, wat zit daar dan achter?”
Hij had nog niks gezegd toen zijn vrouw met haar ogen rolde en de deur weer sloot.
Op internet bestelde hij bij de Albert Heijn boterhammen en salades. Flessen water, handdoeken, dekbedden. Hij sliep onder het oude bureautje. Hij rook de kratten met het oude speelgoed van zijn zoon, die in de oksel van het schuine dak waren geduwd. He-man-poppetjes, playmobile. Er is een breekpunt, waar spelen in hangen verandert. Op de ouwe pc las hij de krant. De computer kraakte bij elke verbinding die hij maakte met de buitenwereld. Het was gezellig, zo met z’n twee op die stoffige droge zolder: twee krakende oude mannetjes. Hij zat hier in het dak van zijn huis en niets was anders, alles bleef hetzelfde en hij was waarschijnlijk op moment van het opschrijven van dit verhaal niet eens de enige in de wereld die op zolder zat. Als je iets kunt verzinnen, dan heeft iemand anders ergens op aarde het al eens bedacht. Dat was een ontmoedigende, maar ook een geruststellende gedachte, vond hij. Dit vatte eigenlijk alles samen: het heelal is oneindig en alles wat je kunt bedenken bestaat al ergens in iemands hoofd.
Hij riep dat de klopper kon binnenkomen. Op het gangetje voor de zolderdeur hoorde hij geschuif. De deur klikte open en een kratje werd de ouwe vloerbedekking opgeschoven. Het was de bezorger van dag zeven. U zit hier nog steeds, constateerde de zevende bezorger. Hij knikte. Zit u de hele dag op zolder? Ik zit de hele dag op zolder. En u slaapt hier ook? Ik slaap hier ook. En moet u dat van uw vrouw? Mijn vrouw? Ja, de mevrouw die de deur open doet. Ja, nee, het moet niet van haar. Vindt ze het niet vreemd? Nee. Denk ik. Hoewel. Ik denk dat ze niet meer zoveel van me vindt, zei hij, wat ik ook doe. Goh, zei de zevende bezorger. Werk jij op vaste dagen? Nee, het is toevallig dat ik vandaag weer hier ben, op hetzelfde tijdstip, precies een week later. Dus je hebt het onthouden? Nou ja, dit vergeet je niet zo snel, natuurlijk, een meneer op zolder. Verveelt u zich niet? Kijkt u vaak uit het raam? Het is wonderlijk dat vervelen alles te maken heeft met waar je je op instelt, zei hij. Ja, dat geloof ik wel, zei de zevende bezorger.
De bezorger stak zijn hoofd door het dakraam. Mooi wel, zei de bezorger. Ja hè? zei hij, terwijl hij zijn hoofd ook door het dakraam stak. Had je koffie in het krat? Ja, als het goed is wel, zei de bezorger. Wil je koffie?
Met hun hoofd door het dakraam dronken ze koffie. Er vloog een duif voorbij, in de verte kwam een wolk uit een schoorsteen. Er is tijd, er zijn mensen, zei de bezorger. Ja, zei hij. Ze knikten. Alsof er iets belangrijks was gezegd. Misschien blijf ik hier wel tot mijn dood, zei hij. U weet dat nog niet? zei de bezorger. U lijkt me zo’n vastberaden typ. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit die trap nog afga. Nee, zei de bezorger. Ik ook niet. Misschien bent u dan de eerste op de wereld die sterft van ouderdom en het laatste deel van zijn leven heeft overleefd via internet. Ja, zei hij. U moest maar eens een crosstrainer aanschaffen. Ja, zei hij. Dat is een goed idee. Van stilzitten ga je pas dood, zei de bezorger. Dan kun je nog beter roken, las ik laatst. De bezorger gaf hem een hand. Hij pakte het lege kratje en zwaaide in de deuropening. Misschien tot een volgende keer, zei hij. Dat denk ik wel, zei de bezorger. Daarna was hij weer alleen. De ouwe pc rammelde, in de straat aan de andere kant van het dak hoorde hij de vrachtwagen van de bezorger optrekken. Alles wordt interessant, dacht hij. Hij zou het zijn vrouw moeten vertellen, als ze weer eens een keer haar hoofd om de deur stak. Dan zou hij alles vertellen. Maar dat was voor later zorg. Want laten we wel wezen: hij had tijd, en verder waren er al overal mensen. Hij schonk nog eens koffie bij.