Ode aan de Belg

Op Ruwe Planken, “De belgen komen!”
24 juni 2008
In het Vlaams Arsenaal, met een trillend been voorgedragen
(soms ben ik blij als er ergens aan de zijkant nog een tafel staat waar ik m’n papieren op kan leggen. Ik verbloem zenuwen altijd wel, maar die trillende vellen tekst verraden me altijd!)

white_square1.jpg

Eigenlijk is het oneerlijk om hier als Hollander te staan en een ode te moeten brengen aan jullie Belgen.
Jullie hebben dEUS, Jan Decleir en Hugo Claus, terwijl wij hier in dit kikkerlandje het moeten doen met Kane, Jeroen Krabbé en Harry Mulish.
Bij een gevecht tussen Tom Barman en Dinand Woesthoff zou ons Holland misschien nog kunnen winnen omdat Woesthoff zich waarschijnlijk een weg naar de overwinning zou krabben en bijten, of in het beste geval gebroken glas of jeukpoeder in de handschoenen van Barman te strooien vóór de wedstrijd.
(Bij een strijd tussen Decleir en Krabbé zijn we overigens wel gauw uitgepraat. Jeroen Krabbé zou nog voor het eind van de eerste ronde huilend met de bokshandschoenen voor zijn gezicht in een hoek van de ring in foetushouding liggen te wiegen.)

En daarmee, lieve Belgen, daarmee kan ik allemaal leven.
Daar kan ik om lachen en daarvoor zeg ik: sorry dat wij zangers met hete aardappels in hun keel over onze landsgrenzen sturen.
Sorry.
Laten we zeggen dat we al dat lelijks uit Holland gewoon wegstrepen tegenover K3.
Ja?
Verder mogen jullie ze houden. Tom, Mauro, Flip en de Dewaele broers.
Hou ze!
Hou Meneer Sierens, Mevrouw Verbeke, Meneer Cassiers en Meneer Crets.
Ik noem m’n zoon wel gewoon Stany, oké? Of Guy.
Hou ze.

Ik kan er mee leven.

Maar er is er één die ik voor mezelf wil houden.
Ergens op mijn zolder, in een stoffige platenkoffer, met een 78 toerenspeler ernaast.
Zó voor mezelf wil houden dat niemand er meer met hem dweept.
Geen Belg, geen Hollander.
Dat alleen ik hem heb, net zoals toen in het begin.
Om af en toe uit zijn hoes te halen en teder op de pick-up te leggen. En te luisteren naar het kraken van de naald in de groeven voordat hij gaat zingen.
Want ik kan niet verkroppen dat deze man gemeengoed geworden is.

Laat ik beginnen bij het begin.

Ik was dertien en op een zonnige avond in oktober zat ik voor de televisie. Als kind was ik, helaas, al een soort van melancholische trut, dus daar zat ik: tussen mijn zwijgende Limburgse gezinsleden tv te kijken met een kopje thee in mijn hand en een knoop in mijn maag.
“Wanneer gebeurt en nu een keer eens wat?” had ik me de hele dag afgevraagd.

De BRT stond aan en op het scherm verschenen oude beelden. Met haartjes en vlekjes en scheurtjes en alles in sepia en op dat scherm zong een man met veel te lange armen alsof zijn leven ervan afhing.
Deze lelijke man in een coltrui met een eenvoudig jasje.
En ik verstond hem maar half, maar ik begreep dat het ging over het vlakke land en de liefde en dat die twee op één of andere manier alles met elkaar te maken hadden. Dat het dus niet raar was dat ik die middag met de hond tussen de velden doorliep en dat het waaide en dat ik dacht: “Wanneer begint het nou?”
Het was Jacques Brel en het begon toen.
En ineens waaide het in mijn hoofd.
Die avond stal ik mijn vaders Brel-plaat die stond te verstoffen in de gangkast.

Mijn vriendinnetjes waren verliefd op Jordan, Jonathan en Joey van the New Kids on the Block, maar ik draaide ’s avonds bij het licht van mijn bedlampje Brel.
Stiekem, want ik was verliefd op een lelijke dooie Belg, wat in de brugklas niet iets is om de blits mee te maken.

Maar het was heerlijk. Zijn stem die me richting de slaap wiegde en hoe ik slaapdronken in het donker de naald weer naar het begin van de LP sleepte.
Ook al was hij al tien jaar dood en verstond ik hem vaak niet: het was Jacques en ik.
Ik stelde me voor hoe we de straten zouden afschuimen. Hoe hij op het podium met zijn lange armen voor mij zou zingen, hoe hij alleen voor mij zou zingen.
Het waren mooie tijden.
Hij was van mij alleen.

Maar langzaam aan begon onze relatie te veranderen.
Ik kreeg nieuwe vriendjes. Die heetten Kurt, Eddie of Billy. En kwamen gewoon uit Amerika en zongen uit mijn cassetterecorder, waarbij ik niet na een half uurtje de naald weer naar het begin hoefde te tillen. Mijn cassettedek had auto-reverse en Brel vertrok met stille trom weer naar de gangkast.

En wanneer het precies gebeurde weet ik niet, maar toen ik op een dag weer eens aan mijn oude liefde dacht, ondervond ik dat iedereen ineens van hem was gaan houden.
Mijn Jacques!
Dat iedereen kon huilen bij Ne me quitte pas.
Dat iedereen dingen zei als: “Hij was dan wel lelijk, maar wat zong hij mooi.”

Je weet pas wat je mist als het je wordt afgenomen.
De vieze vettige vingers van dames in hun nadagen die verzuchten dat ze huilden op zijn sterfdag, tien jaar voordat ik hem voor het eerst hoorde, rukten hem uit het melancholische kamertje in mijn hoofd en gooiden hem in de graaibakken van de Free Recordshop.
De meiden die hulpverlener wilden worden omdat ze eigenlijk gewoon zelf gek waren, stalen hem! En ook de puistige jongens die indruk op me probeerden te maken dat hij hen inspireerde, MIJN Brel, want zij hadden immers toch ook lange armen en een uitgestreken kop?
Ik heb zelfs ooit een Belg aan de haak geslagen om te kijken of dat dan misschien iets zou zijn, dat het zijn Belg-zijn was dat het hem deed. Maar ook dat was niks.

Ze namen hem me allemaal af.

Hij had me alleen gelaten, door van iedereen te worden.

En nu draai hem gewoon, nog af en toe.
In de kroeg waar ik werk.
Als de ouwe mannen ’s middags aan de bar zitten.
Dan zet ik stiekem De nuttelozen van de nacht op.
Wat ze dan niet door hebben en wat ik dan weer heel erg grappig vind.
Dan zijn Jacques en ik weer even met zijn twee.

Dus alstublieft, lieve Belg en lieve Hollander, ik geef jullie Hazes en Long en Sonneveld en over een paar jaar mogen jullie Shaffy er gratis bij.
Maar mag ik dan alstublieft, alstublieft Jacques Brel hebben?
Alsjeblieft?
Mag ik Brel hebben en houden? En ik beloof dat ik hem eeuwig zal koesteren en nooit meer in de gangkast zal zetten.
Ik beloof het.
Oké?
En dan hebben we het nergens meer over.