Mijn leven in een notedop

1.
Achter het fornuis in de kroeg.
“Dus ik moet om negen uur weg. Als het niet te druk is.”
“Waar moet je heen dan?”
“Naar de presentatie van De Kutgitaar in De Onderbroek.
“Watte?”
“Naar de presentatie van een tijdschrift. Ergens.”
“O.”
“Ja.”

2.
Aan de bar bij het weggaan na 5 uur te hebben gekookt voor de mensen. Met haast.
(snuift) “Zeg, moet jij nog ergens heen?”
“Euh ja. Hoezo?”
(trekt vies gezicht) “Ik zou maar eerst even een ander shirtje gaan aandoen.”
“Pardon?”
“Je ruikt echt helemaal naar friet.”
“Naar friet?”
“Naar frituurvet.”
“O.”
“Ja.”
“Ik wilde eigenlijk meteen door. Ik ben al te laat. Een uur.”
“Ik zou even een ander shirt aandoen. Echt.” (bemoedigende kneep in arm.)

3.
Thuis. Frietvet afwassen, kleren in de was, frisse kleer aan, ook meteen maar lenzen in, lipstick op, eau de klonje op, haarspul, crème, the whole shebang, wilde frisheid slaat ervan af, citroentjesfris wat ik u brom.

4.
Zaal staat vol rook door een in de fik gevlogen pan popcorn bij Protuberansen. En er wordt gepaft. Een dikke walm slaat van een pan. Mensen kuchen, wuiven. Het ruikt naar keuken tot de macht acht.
Het brandalarm gaat af.
HMDODHBS struikelt binnen.