pexels-photo-796605

Maondaag

Er is een aantal zaken die je niet moet doen tijdens de vasteloavend.
En wel:
1. Te weinig laagjes kleding
2. Te veel of te weinig eten
3. Denken: ik ga heel even thuis op de bank zitten.

1.
“Ik ben een boa verloren,” zei ik, terwijl we naar de optocht stonden te kijken. “Koud.”
Je moet niet onderschatten hoe warm zo’n laag veren is. De zon scheen, maar wij stonden aan de schaduwkant van de straat. We hadden een etalage met een afdak, wat weer handig was bij de korte hagelbuien. Het begon me langzaamaan te dagen. Ik had een vest te weinig aangetrokken. Ik zag ‘m gewoon hangen, bij ‘t Mannetje thuis over de stoel. Maar tijdens het aankleden had ik het warm. Trap op, trap af, paniek toen ik een theelepel aan wimperlijm op mijn echte wimpers liet vallen.
Dan maar dansen.
Joekskappelen, mooie wagens, mooie tractors die ze trokken. Grote groepen in mooie pekskes, kleine kindjes in pekskes in bolderwagens.
Ondertussen kropen de kleintjes die bij ons hoorden steeds verder weg in een hoekje. Eentje zat te knikkebollen. De ander kroop de buggy in en viel in slaap, hoe hard de muziek die voorbij kwam ook stond.
Bij wagen 50 ging de helft van de goegemeente met de kindjes naar De Klep.
Wij bleven nog even wachten, want ‘t Mannetje was een vervanger bij de raad. We moesten toch even zwaaien.
Totaal verkleumd belandde ik uiteindelijk ook in De Klep.

Bij De Klep trok een vrouw haar bontjas uit, waaronder weer een bontjas verscheen.
“Kan ik er niet eentje kopen?” zei ik.
“Nae,” zei de vrouw.
“Jammer,” zei ik.
De vrouw haalde haar schouders op en klopte op mijn rug.
“Morgen is het boerenbruiloft,” zei ze.
Ik knikte.

2.
“Kunnen we niet nu al gaan eten?” zei de man. “Saté ofzo? Ergens.”
“O,” zei ik. “Ik weet nog wel iets.”
We liepen naar Hemingway, daar waar ik in 1998 voor het eerst in mijn leven achter de bar ging staan. We stapten naar binnen en de eerste twee personen die ik zag achter de bar waren de enige twee mensen die er nu nog werken die er toen ook al waren.
“Hoera!” riepen we allemaal.
We aten saté, ik zwaaide naar de jongens van vroeger aan tafel 11.
We dronken bier.
We praatten over vroeger.
Op de wc liep ik het herentoilet op. Die bleken omgewisseld.
Twintig jaar.

Daarna wandelden we weer van kroeg naar kroeg.
In De Loco zat het toilet nog op de zelfde plek en vertelde ik aan de man dat ik daar dan ook zo stond toen ik op de middelbare school zat. Op zoek naar degene op wie ik dan dat jaar weer verliefd was. Aan de bar waren ze bezig om met een stoomstrijkijzer zonder kabel over de toog tien meter verderop een rij plastic bekers om te gooien. Ik moest ook een keer. Het was niet echt een keus. De barman verderop zette net zes bier op de bar en een jongen kon nog net met blote handen het strijkijzer tegenhouden. Mocht hij iets aan zijn hand hebben overgehouden: sorry.
Ik was als herfsttafereel verkleed dus ik heb hem getroost met een piepschuimen eikel.
Was alles maar zo simpel.
“Wao gaon we haer?”
We gingen naar de Baek.

3.
De Baek was vol.
“Anders héél even naar huis,” zei ik. “Mijn vest halen?”
Dat was immers vlakbij.

Thuis troffen we ‘t Mannetje ineengedoken op de bank aan.
“Ik heb het zo koud,” zei hij. “Ik heb zes uur op die wagen gestaan in de wind. Daarna werden in de Maaspoort alleen mijn oren heel heet en dat was het.”
“Och jongen toch,” zei ik.
“Wat heb je gegeten?” zei de man.
“Niks,” zei ‘t Mannetje.
Ik besloot om broodjes voor hem te gratineren.
We ploften op de bank.
Héél even zitten.
Héél maar.
Buiten liep een joekskapel voorbij.
De fluitketel floot.
Op de televisie vertelde Oscar van den Boogaard dat Prins Bernhard zijn vader was.
Ik zette mijn hoedje af.
De batterij van mijn lampjes was leeg.

4.
Vandaag is het dinsdag.
Ik heb heerlijk geslapen.
Buiten is het krakend koud, maar ik heb mijn konijnenbonten jasje.
Dinsdag.
Mijn lievelingsdag.