Let them eat knödel

Ich bin ein Berliner, 2012, deel I

Ik zeg niet snel dat ik ergens goed in ben. Eigenlijk ben ik ook nergens écht goed in, maar als ik twee dingen zou moeten noemen waar ik écht goed in ben dan is het Paulaners inschenken en het uitkiezen van een goeie koffie- of eettent. Ik schiet niet snel mis.
Zo niet deze avond in mijn eentje in Berlijn.

Uitgaande sms naar Nelis, 20u12
Hier is het godsgruwelijk koud! Ben net een soort van hip restaurant binnengestapt. Jazz net iets te hard.

Uitgaande sms naar Nelis, 20u15
En ze serveren hier alles met knödel. Dat vergeet ik tegenwoordig wel eens in Duitsland, dat ze dat altijd deden: alles met knödel. Misschien toch minder hip dan het van buiten leek.

Toen ik binnenstapte dacht ik door een groot bord op de stoep waarop “Vegetarisch!” stond, dat ik met een quasi-vegetarische tent te maken had. Nu is dat in de buurt waar ik verblijf niet zo vreemd. Je wordt hier met de veganistische zaken om de oren geslagen. Naast de veganistische supermarkt bij mij om de hoek zit een veganistische schoenenzaak, alsmede een veganistische kinderopvang. (“Normaal vang ik graag mijn kinderen op met gehakt en gelatine van botten, maar goed, tegenwoordig met de crisis en het milieu en alles, hè…”)
Er blijkt maar één vegetarisch gerecht op de kaart te staan. En de rest is vlees. Mit knödel. In de zaak zitten nog twee mannen te eten bij het raam en aan de andere kant van de zaak zit een gezin dat aan het toetje zit.
Na tien minuten komt er een ober naast me staan, een schattige springerige jongen die blij is dat ik er ben, want aan het gelach dat uit de keuken klonk toen ik binnenkwam, ging zitten en geen bedienend personeel zag, kon ik opmaken dat het arme jong zich stierlijk aan het vervelen was. Ik krijg de wijnkaart. Ik krijg brood met een schaaltje basilicumcrème.
“Zelf gemaakt,” zegt hij trots, hij fluistert het een beetje, alsof het ons geheim is.
Ik neem een spätburgunder, want als je in Duitsland bent moet je natuurlijk een Duitse pinot noir nemen en geen Franse. En ik kies de lemongrass-kipspies met sla. Het enige gerecht zonder, u kunt het woord vast niet meer horen, knödel. De rode wijn die ik voor me heb gekregen lijkt wel port. Zoete rode wijn, ik kan me sinds de pakken Liebfraumilch op Lowlands toen ik vijftien was niet heugen dat ooit nog gedronken te hebben. Het gezin is ondertussen vertrokken en ook de mannen bij het raam vragen de rekening. Ik tik rustig verder. De mannen trekken hun jas aan en met dat ze de deur achter zich sluiten is de cd afgelopen. De oberjongen is waarschijnlijk in de keuken. Het is stil in de zaak. Uit de keuken klinkt gerammel en gelach.
Dan begint er een penetrante oude frietvet-lucht door de zaak te trekken.
De schattige oberjongen komt de zaak weer binnen, er wordt wat gerommeld in een kastje en ineens klinkt de jingle van Spree FM, waarna een Duitse schlager begint te spelen.
Dan krijg ik mijn bord. Op mijn bord ligt sla met een mayonaisedressing en de kipfilets die aan lemongrass-stengels zijn gespiest zijn, houdt u vast, gepaneerd met een cornflakes-achtige substantie en daarna dus met lemongrassspriet en al, even uw vingers in uw oren graag, GEFRITUURD!
Nu vind ik gefrituurde kip heus wel lekker, hoor, als ik knetterzat ben en het half vijf ’s ochtends is en ik in de enige open frituur in, noem eens wat, Breskes sta. Of als ik zestien dagen door de woestijn heb getijgerd op zoek naar water en voedsel.
Of als iemand het met liefde voor me gemaakt heeft, ja, dan ook.
Maar in alle andere gevallen vind ik gefrituurde kip vies.
Nu goed, geleerd hebbende dat ik gewoon moet eten wat de pot schaft, begin ik.
Het gaat heus wel.
Heus. Ondertussen zingt een broer van Matthias Reim een lied over hartezeer.
Dan loopt ook nog de schattige oberjongen de zaak uit, terwijl hij iets verontschuldigends naar me mompelt, met zijn dikke winterjas aan en een zwarte bak met zilverfolie in zijn handen.
En zo zit ik ineens geheel alleen in een restaurant met Spree FM aan.
Ik denk er over om heel snel aan de tafel naast me te gaan zitten, en alles precies zo neer te zetten als dat het op mijn tafel stond en dan net doen alsof ik er al de hele avond zit, zodat de schattige oberjongen helemaal in de war raakt.
Als hij ooit nog terugkomt.
Ik kan ook gewoon weglopen zonder te betalen.
Ik kan ook de kipjes met cornflakes en al tegen het plafond kwakken.
Kan allemaal.
En dan ineens: zand in de sla.
De oberjongen komt weer binnengerend met een lege bak in zijn hand. De kou straalt uit zijn jas als hij me passeert.
Ik ben er klaar mee.
Ik ga.
Ik gooi mijn servet op mijn bord, loop naar de bar en vraag de rekening. De schattige oberjongen vraagt of alles wel goed was, volgens mij weet hij allang dat het eten niet te vreten is. Hij kijkt me met schuldbewuste puppy-ogen aan.
“Ja,” zeg ik. Maar we weten allebei wel hoe de vork in de steel steekt. Of in dit geval: de lemongrassspriet in de kip. Als ik buiten ben moet ik hardop lachen. Een passerende mevrouw met hond loopt met een boogje om me heen.
Maar er is een moraal aan dit verhaal, want ik heb één les geleerd die ik u graag op het hart wil drukken, lieve mensen: als ze alleen maar knödel hebben, eet dan knödel.
Alstublieft.
Eet dan knödel.