krets kerst

Krets

~Een Kertsverhaal uit de oude doosch~

Mijn voornemens waren eenvoudig dit jaar:

1 ik ga niet teveel eten
2 ik ga niet teveel drinken
3 ik ga het niet over mezelf hebben

In mijn familie werd niet zoveel gedronken tijdens de kerstdagen.
Dit jaar doe ik het anders want dit jaar slaapt de hooiman al weken op mijn bank. De hooiman ontplopt een kurk terwijl ik de garnalencocktail uit een bakje schep.
Garnalencocktail is eigenlijk heel vies, maar ik werd bevangen door een kerstgevoel toen ik bij de Albert Heijn de bakken in de koeling zag.
“Gatverdamme,” zegt de hooiman en hij pakt zijn glas om de hap weg te spoelen.
“Kersteten,” zeg ik en pak ook mijn glas.
“Gatverdamme,” zegt de hooiman.
Rode wijn hoort niet bij garnalen.

4 ik ga me niet schuldig voelen

“Ik zit vol,” zegt de hooiman.
“Je zit niet vol,” zeg ik, “je bent verzadigd.”
“Ik zit zo vol,” zegt de hooiman, “ik moet er bijna van kotsen.”
“Kinderen in Afrika zitten vol. Jij bent verzadigd.”

De hooiman duwt zijn bord van zich af. De tafel staat vol met glazen, lege flessen, en borden. We luisteren ouwe nummers van cassettebandjes op een taperecorder die klinkt als een ouwe radio.
De hooiman heeft de boxen van de stereo opgeblazen toen hij stond te stofzuigen.

De hooiman heeft niet zoveel familie. Hij heeft een oom in Vlaardingen die hij zo eens in het jaar ziet, op de sterfdag van zijn vader. Dan wil zijn oom altijd bier gaan drinken in de ouwe stamkroeg van het dörp, ter ere van zijn broer.
De hooimans oom heeft geen kinderen en dat is maar goed ook.
Die avonden eindigen altijd met zijn oom die in tranen vertelt over de hooimans vader die uit de boom viel en de hooimans oma die hem dan met het blik van de stoffer en blik tot bloedens toe op zijn kont sloeg.

“Ik snap niet hoe jij altijd alles kwijt, kapot of vies kan krijgen,” riep ik.
“Ik snap niet hoe ik hier kan stofzuigen als alles vol staat,” riep de hooiman.
“Ik ben af aan het leren om iedere zin met ik te beginnen.”
“Mpf, jij!”
“Ik, ja!” riep ik. “Ik moet hier ook altijd alles alleen doen. Zelfs tijdens het poetsen presteer jij het om én geen stof te zuigen én om iets stuk te maken.”
Ik weet niet waarom stofzuigen, en vooral het niet stofzuigen, tegenwoordig zo’n groot en zompig aandeel in mijn leven heeft.
“Het is godverdomme kerst,” riep de hooiman toen ik de walm rond de boxen aan het wuiven was.
“Ik haat kerst. We vieren geen kerst.”
“Jij ging toch kerstboodschappen doen?”
“Dat is gewoon eten.”
“Kersteten.”
“Stofzuigen is geen kerst.”
“Inderdaad.”
De hooiman liet de stofzuiger vallen.

Ik probeer namelijk tegenwoordig om niet meer zomaar toe te geven aan al die neuroses. Waardoor ik dus, op het zojuist beschreven moment, probeerde om niet steeds alles op mezelf te betrekken. Waardoor ik inging op een andere neurose, en dat is die waardoor ik probeer een niet-harmonieuze situatie om te buigen naar iets heul anders. Wat, bij nader inzien, richting mezelf bleek te gaan (ik die niet iedere zin van mezelf met ik mag beginnen), wat weer een neurose was die ik juist met die opmerking probeerde af te ketsen.

Ach. Het heet kerst, niet waar?
Frappant hoe ik met kerst mezelf altijd weer in het hoofd van een meisje van twaalf weet te persen.
Één stap over de drempel van het ouderlijk huis en er wordt weer in de grote valkuil die dochter of zoon of broer of zus getrapt.
De hooiman en ik deden er dit jaar niet aan mee.

“Stofzuigen,” beet ik hem die ochtend toe, terwijl ik de stofzuigerslang op zijn dekens gooide. “En van die bank af!”
“Ja, wat moet ik nou eerst?” zei de hooiman. Er zat een kwijlvlek op zijn kussen.
Ik deed mijn jas aan om inkopen te gaan doen.

Als de hooimans oom klaar is met het verhaal van de boom en het blik en met oma dan begint de hij meestal te lonken naar de meisjes in de bar en als de meisjes zich omdraaien dan lonkt hij naar de oudere dames en als de oudere dames zich omdraaien dan grijpt hij de dame met de blauwste tanden en fluistert hij haar zoete woorden met zijn zoete alcoholadem.
De hooiman drinkt dan zijn bier en staart dan naar de ventilatoren die boven de bar hangen.
Op het einde van de avond valt de hooiman dan van dronkenschap van de kruk.
Soms niet, als zijn oom snel genoeg een dame met blauwe tanden weet te paaien.
Maar meestal valt hij gewoon.
Zoals het hoort.

“Ik zit ook vol,” zeg ik.
“Ik weet niks meer,” zegt de hooiman.
De cassetterecorder vreet een bandje op.
“Ik haat kerts!” roep ik.
“Kerts!”
“Kers!”
“Krets!”

De hooiman valt van zijn stoel.
Ik lach.
Ik ben misselijk.
Ik sla op de radio, pak een nieuw bandje en draai nog een liedje.
Ik kijk naar de hooiman die slaapt op de grond.
Ik bedenk dat het dit jaar helemaal anders gaat.
Ik schenk nog een glas.
Ik rook een sigaret.
Ik kijk naar de kwijlvlek die zich onder de lippen van de hooiman op het tapijt vormt.
Ik heb het koud.
Ik wil niet naar bed.

De radio is stil.
Ooit doe ik het beter.

“Het spijt me,” fluister ik de hooiman in zijn oor als ik een deken over hem heen leg.
Hij wuift me slaperig weg.