tumblr_ooa2k8fysI1sfie3io1_1280

Angst

Ik sta te koken en ik durf de afzuigkap niet aan te zetten. Ik denk er niet eens echt bij na. Ik ga gewoon uit de weg dat ik dat ding moet aanzetten. Waarom weet ik niet: niemand van de nieuwe buren kan de afzuigkap horen, mijn dochter zit met mijn man ergens verderop in de woonkamer van ons nieuwe huis te spelen en ik heb net een paar tenen in de braadpan geknepen, dus dat ding moet wel aan.
Terwijl ik naar de knoppen kijk, besef ik het voor het eerst in mijn leven.
Dit heb ik altijd.
Altijd als er iets groots in mijn leven is veranderd.
Dan raak ik versteend bij tijd en wijle.

Het was al aan de hand toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in een prima studentenhuis. Met leuke mensen, daar lag het niet aan, maar de eerste maanden durfde ik nauwelijks de gang op. Dan luisterde ik een hele tijd aan de deur en pas als ik niemand hoorde in huis sloop ik de gang op. Ik hield de gordijnen dicht, deed alsof ik er niet was. Terwijl ik verder prima functioneerde: ik at met mijn huisgenoten samen, we gingen samen uit, we waren vrienden, niets vreemds. Ik heb zelfs altijd een grote mond. Doe alsof ik nooit bang ben. Niemand me ook maar iets kan maken.
Maar tussen al die activiteiten door stond ik als versteend bij iets eenvoudigs als over de gang naar het toilet moeten.
Dan wachtte ik. En wachtte ik. En als het huis dan muisstil was, sloop ik de gang op.

Soms hoor je wel eens dat iemand in een studentenhuis een huisgenoot had die klaarblijkelijk in plastic zakken poepte. Ik heb dat gelukkig nooit gedaan, maar als je ‘t een graadje erger had dan ik, dan snap ik dat iemand zoiets gaat overwegen.
De grootste vijand van de mens is zijn brein. Niet het dier dat in een zak schijt.

Toen mijn dochter net was geboren, was het ’t ergst ooit, realiseer ik me daar voor die afzuigkap. Ik durfde maandenlang niet de radio aan te zetten, terwijl ik mijn hele leven ’s ochtends Radio 1 aan heb staan. In bed las ik ineens alleen nog maar wielerboeken omdat ik niet verder wilde gaan in het boek dat ik aan het lezen was voor de geboorte (iets van Stephen King, mijn lievelings), ik durfde mijn haar niet meer los te doen als ik ging slapen en ik speelde geen Tetris meer op de gameboy, want ik wist zeker dat ze zou gaan huilen en zou blijven huilen tot het einde der tijden en dat ik gek zou worden. Echt gek. Niet gewoon een beetje bang. Maar gek. Voor altijd gek.

Mijn man komt naast me staan.
‘Wat doe je?’ zegt hij, terwijl hij de afzuigkap aanzet.
‘Ik durf de afzuifkap niet aan te zetten,’ zeg ik verbaasd.
Ik krijg een kus.

Ik open de gangkast, sla met wat deuren, stamp de trap op.
Een half uur later zet ik zingend de potten op tafel. Mijn dochter zingt mee vanuit haar stoel, mijn man trekt een fles wijn open. Mensen die geen moeite hebben met ruimte innemen.
En zo kom ik tot het volgende besef van die dag: dat ik kan concluderen dat verhuizen veel minder heftig een impact op een mens heeft, dan het krijgen van een kind.

Iemand zei ooit dat je elke dag iets moet doen dat je eigenlijk niet durft. Vandaag zijn dat simpele dingen, als herrie maken. Aanwezig zijn.