Jongleren

Thuis spatel ik mezelf met veel moeite van de bank, weg uit een brakke Louie-marathon. Voor wie het nog niet wist: ik hou zoveel van Louis CK dat ik het gevoel heb dat de liefde voor hem letterlijk uit mijn hart gutst. Zo voelt het. Ik zou hem willen zijn. Een vrouwelijke Louis CK.
Maar goed, ik kom van de bank na een zeer korte onderhandeling over wie de pizza gaat kopen en wie de pizza gaat bakken en opdienen.
“Ik kan niet naar de Albert Heijn,” gebruik ik als enige argument. “Ik keek net in de spiegel en ik zie eruit als Marla Singer.”
Maar ik begrijp zelf ook wel dat dat geen geldige reden is.
Ik ben een combinatie van Marla Singer en Louis CK.
Het kan slechter op een brakke zondag.
Veel slechter.
Ik ga naar de supermarkt.

“Alles is weg.”
Het meisje loopt met haar handen in de lucht terug van het zuivelschap naar haar vriend, die aan komt rollen met de volle winkelwagen. Ik schat haar even oud als ik, misschien zelfs wat jonger. Het meisje is knap, de jongen trouwens ook. De jongen rolt de kar naar de bakjes vla en yoghurt. Hij pakt een bakje op. Zij staat aan de overkant bij de melk.
“Anna?” zegt de jongen, terwijl hij het bakje omhoog houdt. “Deze lusten we niet, hè?”
Die jongen heeft helemaal niet door zij op dit moment met zijn ballen staat te jongleren, hier midden in de supermarkt, terwijl ik alles kan horen. Ik hoor een clownsmuziekje uit het circus op de achtergrond. Tie-die-diedelliede-die-diedie-die. Het meisje gooit haar vriends ballen hoog. Ze raken net niet het plafond. Ze kan het goed.
“Heb je appels gekocht?” vraagt ze.
“Ja,” zegt hij. Ze lopen verder over het pad.
“Voor mij?” zegt ze.
“Voor jou, ja,” zegt de jongen. “Ik heb alles voor je gekocht.”
Hij lacht naar haar, slaat een arm om haar heen. Met de andere arm duwt hij de kar.
“Waarom doe je zo geïrriteerd?” zegt het meisje.
Het publiek roept “oeoeoeoeoeoe”, bijna lijkt ze een bal te laten vallen, maar het blijkt maar een schijnbeweging te zijn. Ze glimlacht naar het publiek. Had ze ons daar even te pakken.
“Ik ben niet geïrriteerd,” zegt de jongen.
Ze zwijgt even. De arm van de jongen glijdt van haar af.
“Nou,” zegt ze. “We moeten alleen nog honing. Heb je al honing gepakt?”
Ik moet het pad rechts inslaan, op de snelweg die de Albert Heijn op zondag heet, want ik wil de nieuwe Grazia kopen. De stem van het meisje sterft weg in het geroezemoes, de muzak en de omroepberichten.

Ik weet ook wel dat alles wat ik deze tijd zeg decadent is. Ik heb het al vaker gezegd. Ik weet ook wel dat ik nergens echt cynisch over mag zijn, als je het op de keper beschouwd, terwijl ik mijn mand vol kan laden met Italiaanse koekjes, tijdschriften met roddels en wat ik allemaal nog meer kan kopen en pizza’s waar eend op zit. Eend, for crying out loud. Terwijl ik me thuis met een kater op de bank vol kan vreten met Engelse drop en chips met zout en peper.
Ik weet dat wel.
Maar ineens ben ik zo blij dat ik er uitzie als Marla Singer. Dat ik mijn pony (haar! haar! niet het kleine paardje) met speldjes omhoog heb gestoken vanochtend, dat ik mijn trainingsbroek in mijn laarzen het gestoken, een ouwe jurk erover heen heb gegooid en dat ik godverdomme niet zo knap ben als dat gemene meisje.

Thuis bakt d’n D. een pizza en typ ik dit stukje terwijl ik Italiaanse koekjes eet en thee drink.
Ooit kom ik er achter: hoe het precies zit met consumeren en arrogantie en decadentie en mijn hypocrisie.
Maar vandaag nog niet.
Vandaag is het bank, pizza, Louie en d’n D.
Het is een goeie dag.