In de bus

1.

BUSCHAUFFEUSE
Kijk, zie je die jongen?
Met die camera?
Dat is de zoon van een buschauffeur.
Hij maakt de hele dag foto’s van bussen.

OUDE MEVROUW
O ja?

BUSCHAUFFEUSE
Ja.
Dat vindt ‘ie leuk.

OUDE MEVROUW
Foto’s maken.

BUSCHAUFFEUSE
Ja, maar alleen van bussen.

OUDE MEVROUW
O. Wat leuk.

BUSCHAUFFEUSE
Ja, hè.

OUDE MEVROUW
Dat is net als vliegtuigspotten.

BUSCHAUFFEUSE
Ja! Inderdaad!

De twee kijken glimlachend voor zich uit.

2.

Ik wachtte op de bus tussen allemaal geparkeerde auto’s. Ik moest tien minuten wachten.
Er kwam iemand aanlopen met een cello op de rug. Het was zo’n dame die tussen meisje en mevrouw inzit. Met een degelijk staartje, brilletje en een beige regenjas.
Ze bleef een tijdje naast me staan en toen de bus bijna kwam liep ze weg.
Ik vroeg me af waarom ze wegliep.
Misschien besloot ze om toch naar het station te lopen.
Misschien hoefde ze helemaal geen bus.
Misschien had ze geen zin om drie minuten te wachten.

3.
Op het plein stond een limousine.
Uit de limousine stapte een piet.

4.
Bij de halte op het plein stond de mevrouw met de cello. Ze hield de cello vast, alsof ze een kind vast had.
Ze keek verwilderd hoe de bus stopte, zijn deuren opende en sloot.
De bus reed weg.