Ik weiger

Zoals voorgedragen tijdens de presentatie van het eerste nummer van de achtste jaargang van Op Ruwe Planken.

white_square.jpg

Ik zal nooit dezelfde unisex trainingspakken gaan dragen als de man die ik huw, net zoals dat ik nooit een Hartman tuinset zal aanschaffen, waarop ik zit, met een Libelle in de zomervakantie terwijl mijn man op een lullig tractortje het gras maait.
Ik huw geen man met een snor die Henk heet.
Ik huw geen man die ’s ochtends om half acht fluitend op zijn fiets springt, met een appeltje in zijn aktetas, een aktetas die hij in een speciale beugel aan zijn bagagedrager klemt, en dan, met zijn snor, naar zijn saaie kantoorbaan fietst.
Ik huw geen lunchwandelaar.
Ik huw geen man die naar kledingkast ruikt, geen man die op feestjes verlekkerd kijkt als ze vragen wat hij wil drinken en hij mag zeggen dat hij graag een pilsje wil omdat ik, zijn vrouw, heeft aangeboden om terug te rijden.
Ik word geen onderdeel van een stel dat op de derde zaterdag van de maand het buurmeisje als oppas heeft om dan uit eten te gaan en te zwijgen onder het mom van “wij zijn niet bang zijn voor stiltes”, waarbij de vrouw zich verheugt op de chocola bij het toetje en de man zich verheugt op het volgende biertje, want het is weekend, dus het mag.
Ik zal nooit, nooit, nooit niet bang zijn voor stiltes.
Ik word geen onderdeel van een stel dat na het eten op die derde zaterdag in de auto terug naar huis de oppas belt om te zeggen dat we er zo aankomen.
Ik zal geen man huwen die graag de oppas naar huis rijdt, ook al is het maar een stukje verderop.
Ik zal geen vrouw zijn die een dikke reet krijgt.
Ik zal geen man huwen die zich onder de douche aftrekt bij de gedachte aan de oppas met haar kleine pronte tietjes door een wit bloesje, die naast hem in de auto zit omdat ze bang is voor enge mannen.
Ik zal geen man huwen die mij gaat haten, omdat ik zoals alle vrouwen verander in een aubergine geverfd, kort harig zeikwijf met een te dikke kont in een taps toelopende spijkerbroek en een katoenen trui met beertjesopdruk.
Ik zal nooit een vrouw worden die denkt dat het bij een huwelijk hoort, dat ze een goede vrouw is als hij ’s nachts op haar kruipt en hij het licht uitlaat.
Ik zal nooit lelijke kinderen baren van mijn suffe man.
Ik zal nooit lelijke kinderen baren waarvan de familie bij ieder exemplaar zegt: wat een lief kind!
Ik zal nooit naar mijn kinderen kijken en denken, ver weg, ergens ver weg, diep in mijn hart: god wat heb ik gedaan?
Ik zal nooit een tuinlaaf kopen.
Nooit een leren hoekbank.
Nooit een zwaar eiken salon tafel.
Nooit een keuken op tweede paasdag in een keukencentrum.
Ik zal nooit verteerd worden door tv, nooit wegzinken in de eindeloze leegte van mijn mans ogen, gericht op diezelfde tv, ik zal nooit niet meer bang zijn voor de sleur omdat die angst bedekt is door tien jaar van diezelfde sleur.

Ik doe er niet aan mee, ik word niet zoals mijn ouders, mijn ooms en mijn tantes, mijn buren, mijn klasgenoten, vrienden en collega’s.
Niet zoals Henk en Marjan, Heinz en Agnes, Peter-Paul en Chantal, Francien, Elcke, Annemarie, Marc, Marloes, Fred, Frank en Sjors.
Nee.

Ik zal het nooit.
Ik huw een muzikant, die me midden in de nacht rondzwiert over een dansvloer, die graag wil dat ik jurkjes draag, die me optilt op straat, die me draagt, die me kust alsof ik ieder moment dood kan gaan en als dat dan allemaal niet kan dán nog liever een man die me slaat.
Want ik weiger.
Geen Henk, geen Sjors.
Ik sterf nog liever alleen.

Terwijl ik naar de sterren door het raam van mijn eenpersoons bejaardenflat kijk en ik voel dat het leven altijd, altijd pijn heeft gedaan.