Houten Hart

1.
Ze zei: “Luister. Een man loopt de kroeg in. Luister je? Een man loopt de kroeg in. Kijkt wat rond. Gaat aan de bar zitten. Naast hem zit een bergbeklimmer. Dat kun je zo zien. Buitensportkleren, bergschoenen.”
“Pikhouweel,” zei ik.
“Zie je,” zei ze, “je luistert niet.”
“Man!” zei ik, “loop toch eens niet zo te ouwehoeren.”
“Luister,” zei ze, “ze raken aan de praat, die bergbeklimmer en die man aan de bar. De bergbeklimmer zegt: ik ben wel vaker bijna van een berg gevallen een ravijn in. Maar je zit hier nog, zegt de man. Ja, zegt de bergbeklimmer. Maar ik moet zeggen dat ik soms ook niet weet voor wie ik het allemaal doe.”
“Ik vind dit heel erg interessant,” zei ik. Ik vond dat het lang duurde.
Ze zei: “Zou je het nog doen als niemand wist dat je die berg op was geweest? vraagt de man aan de bergbeklimmer. Helemaal tot boven. Geen idee, zegt de bergbeklimmer.”
Ze was even stil. Ik zei niks.
Ze zei: “Maakt een boom in het bos wel geluid als niemand hem hoort?”
Ze keek me aan.
Ik dacht na.
Mannen kunnen nu eenmaal geen twee dingen tegelijk. Maar dat is weer een ander verhaal.
Ik zei niks.
Waar waren we?
“Zo voel ik me nu,” zei ze. “Altijd, de hele tijd.”
“Als een bergbeklimmer die bijna van een berg valt?” zei ik.
“Nee,” zei ze, “dat het niet uitmaakt wat ik doe.”
Ik dacht na. Een boom maakt toch altijd geluid, dacht ik. Met van die bladeren en alles.
“Als je het eigenlijk überhaupt nog interesseert,” zei ze, “wat ik te zeggen heb.”
Ze had een koffer naast haar stoel.
Dat zag ik toen pas. Alsof ‘ie daar ineens verscheen. Als in een droom.
Nou goed.
En toen was ik dus alleen.
Prima.
Geen probleem.
Lekker rustig.
Ik ben voor het raam gaan zitten met een blik pils, en ik ben er de hele nacht blijven zitten, net zo lang tot het licht werd. Dat zal d’r leren.
Ik heb gekeken naar de auto’s die voorbijkwamen, de mannen met aktekoffers op de fiets, het oude mevrouwtje met het teckel die onder mijn raam voorbij liep. De vrouw zong een beetje.
Ze heeft me niet gezien.
Om acht uur ben ik opgestaan en ben ik gaan douchen. Ik heb me gewassen met haar shampoo. De fles is bijna leeg. En toen ben ik gaan slapen. De lege bierblikken heb ik laten liggen.

2.
Nu goed.
Het gaat dus prima met mij, mocht iemand zich dat afvragen.
Ik heb nog een tijd bij de telefoon zitten wachten, maar daarna besloot ik om naar Corry’s buurtsuper hier om de hoek te gaan.
Corry’s buurtsuper is een winkel zoals je die alleen nog maar vindt in ouwe stoffige encyclopedieën, gekocht bij een muf ruikende man met een snor, die de deuren langs ging toen er nog mensen spullen kochten van muf ruikende mannen met een snor. Bij Corry wordt er niks gescand met een laser, nee, Corry weet alle plucodes uit haar hoofd. De vakken worden gevuld door haar broer Frensje, een mongool van drieënveertig die altijd lacht, en Corry’s man Harie zit soms achter de tweede kassa, waar hij per klant gemiddeld vier plucodes over het kauwgomrek bij Corry moet navragen.

Als ik bij Corry in de rij sta, is er maar één andere klant in de zaak. Een mevrouw met een hondje, die ik lang had zien staan twijfelen bij het luxe dierenvoer. Ik heb stiekem tussen de schappen door naar haar staan kijken, terwijl ik deed alsof ik de achterkant van een tube tandpasta aan het lezen was. En nu is ze voor me bij de zwarte loopband van de kassa. Frensje staat achter Corry’s stoel en hij kijkt over haar schouder mee naar de potjes en zakjes die door haar handen gaan.
Ik heb niet veel bij me.
Wat blikken pils en een huzarenslaatje.
Ik vind huzarenslaatjes misschien wel het eenzaamste eten dat er bestaat, maar ooit hoorde ik iemand zeggen dat je elke dag iets moet doen dat je niet durft.
Dus vandaag dacht ik: ik ga ervoor.
En ik wil nog een pakje shag.

“Mijn houten hart,” zegt de mevrouw met het hondje.
Over de speakers in de hoeken van de buurtsuper zingen zachtjes de Poema’s. Corry kijkt op.
“Dat vind ik nou zo’n mooi nummer,” zegt de mevrouw met het hondje. “Ik hou van liedjes met een poëtische inborst. Liedjes met een bóódschap.”
“Ik ben gek op alles met een boodschap,” bromt Corry. Ze meent nooit iets wat ze zegt.
De mevrouw prevelt een stukje tekst.
“Een houten hart?,” zegt Corry, terwijl ze het laatste plunummer intoetst en zich omdraait naar Frensje. “Wat is nou weer een houten hart?”
Frensje haalt zijn schouders op.
“Dat is metaforisch,” zegt de mevrouw geërgerd. Haar hondje keft een keer.
Corry trommelt met haar lange roze nagels op de kassa en grist dan het bonnetje uit de printer.
Ik krijg een knipoog. De mevrouw steekt haar neus omhoog en hijst met een kreun haar boodschappentas van de inpakplank.
“Poëtische inborst,” herhaalt Corry, als de mevrouw zich een weg door de zware deur naar buiten probeert te duwen.
Ze rekent mijn bier en mijn slaatje af en dan kijkt ze me lang aan.
“Waar is dat meisje van jou?” zegt ze.
Ze trekt een wenkbrauw op.
Ik kijk naar mijn slaatje.
Ik vraag me af of iemand dat met de hand doet: dat beetje paprikapoeder op de dot mayonaise. Het wordt vast door een machine gedaan.
Dit is niks voor mensen.
Daar zou je maar gek van worden.
“Je moet niet alleen maar biertjes drinken, lieve jongen,” zegt Corry. “Je moet ook eten.”
“Ik heb een huzarenslaatje,” zeg ik. Achter Corry haalt Frensje zijn neus op en duwt zijn afgezakte bril terug omhoog. Corry houdt haar hoofd even schuin.
“Als de vrouwen vertrekken, dan weten de mannen helemaal niet meer wat ze met zichzelf aanmoeten.”
Frensje haalt nog een keer zijn neus op en knikt.
Corry pakt een netje mandarijntjes van het schapje naast haar en laat ze bij mijn blikken bier op de band rollen.
“En je eet ze allemaal op,” zegt ze.
Ik kijk naar de joggingbroek waar ik vannacht ook in heb geslapen.
“Oké,” zeg ik.
“Oké Córry,” zegt Corry.
“Oké, Corry,” zeg ik.
Het regent pijpenstelen als ik de winkeldeur openduw. Buiten ruikt het naar zomer en naar natte stoeptegels.

3.
Maar als ik dan te lang in de stoel voor het raam heb gezeten, en het wordt donker, besluit ik toch maar om weer te gaan lopen. Ik draag altijd schoenen met leren zolen, ik hou van het geluid dat ze maken als ik loop. Ik loop richting de kerk, dat is altijd het beste idee als je verder geen plan hebt, al bedoel ik daar verder niks mee. Bij de kerk kijk ik omhoog, naar hoe de torenspits de lucht in steekt. Het zou allemaal iets moeten betekenen, maar ik heb niet het idee dat ik het begrijp.
Dan maar naar de kroeg.

De kroeg is vol en druk. Aan de bar zitten allemaal ouwe mannen.
“Dat is lang geleden,” zegt de barman als ik op een kruk schuif.
“Ja,” zeg ik. Ik bestel een jenevertje.
“Ja,” zeg ik nog een keer. “Maar er verandert heus niks.”
“Wat jij wil,” zegt de barman.
Op de kruk naast me laat een mager mannetje een stapeltje euro’s keer op keer de bar rinkelen.
“Waggef,” zegt barman. Het magere mannetje wil nog bier.
Iedereen rookt, iedereen drinkt, iedereen praat, achter me zit een vrouw die steeds orgastisch hard lacht. Het komt over me heen als water dat opspat onder de wielen van een vrachtwagen als je bij het stoplicht staat te wachten.
Ik drink mijn jenevertjes. De mannen kijken af en toe in mijn richting. Ik zit aan hun bar. Ik snap dat wel.
“Je moet je niks van ze aantrekken,” zegt het mannetje.
De avond loopt traag voorbij, in glazen die vol worden geschonken, flessen die van de plank worden gepakt, de barman danst als een knokige balletdanser tussen tap, tapkast en het koffiezetapparaat.
Ik bodem mijn glas opnieuw.
“Hoe is dat nou?” vraagt de barman. “Als je ineens weer van je vrouw de kroeg in mag?”
“Flikker op,” zeg ik.
Op het dansvloertje beginnen belegen vrouwen te dansen.
Ik moet ook dansen.
Ik voel het.
Als ik opsta, draait de kroeg om me heen.
“Mooie schoenen,” zegt het mannetje naast me.

“Ik denk wel eens,” zeg ik, “dat als ik schoenen zou dragen die geen geluid maken, ik helemaal niet zou bestaan.”
Althans: ik denk dat ik dat zeg.

Ik begin te dansen.
Tijdens het dansen denk ik na. Over hoe het komt dat ik hier sta, hoe het komt dat alles hetzelfde lijkt, terwijl alles anders is en hoe het komt dat alles dan wel veranderd is, maar dat ik hier nog steeds sta.
Dat er eigenlijk niks anders is.
Ik schud mijn hoofd.
De woorden vallen op de grond.
Prima zo.
“Ik heb de moraal van een ridder!” roep ik boven de muziek uit tegen een belegen mevrouw die danst alsof ze aan het watertrappelen is, terwijl ze ritmisch in haar vingers knipt. Ik klop op mijn borst. De vrouw lacht een beetje en danst verder.
Het is even stil en de cd-speler kraakt omdat hij weer begint bij weer hetzelfde nummer.
“Nog een keer!” roept de barman.
De dames juichen.
Ik dans de dronken vogel.
“Misschien staan we hier over tien jaar nog,” roep ik tegen de belegen vrouw en dan spring ik in de maat op de tafel, ik gebruik mijn jeneverglaasje als microfoon en ik zing niet, nee: ik schreeuw. Ik probeer de belegen mevrouw nog mee te sleuren in mijn zwierende wals, maar ze laat mijn hand los.
Ik dans.
Ik zing.

En het volgende moment hang ik in de stoffige kroonluchter die boven de grote tafel hangt.
De scherven van mijn glas glinsteren onder me op de grond, als sterren.
Als alles op zijn kop moet dan maar zo.
Ik lach alsof het ’t laatste is dat ik doe.

Ik denk aan haar.
Aan hoe ik de douche hoorde aangaan in de ochtend.
Hoe het klonk in de gang als ze binnenkwam en haar jas uittrok.
Hoe de dekens klonken als ze zich omdraaide.

Opeens voel ik de warme armen van de barman om mijn benen, de muziek is inmiddels gestopt, maar ik schreeuw het nummer door. De barman en ik zwaaien op de maat van mijn lied.
En dan is het stil.
Ik zwijg.
De barman laat mijn benen los.

Een moment later kwak ik op de klinkers van het plein. Ik weet niet of ik dit zelf deed of dat iemand mij gooide, maar als ik opkijk zie ik het magere mannetje voor me staan.
“Die kroonluchter ligt nu kapot op de tafel,” zegt hij. “Mooi is dat.”
Ik wil iets zeggen als: Ik heb geen normaal stuk hart meer over. Allemaal lijm en barsten.
Ik mompel wat.
“Een houten hart,” zegt het mannetje.
“Als alles goed moet komen, moet ook alles fout zijn,” mummel ik.

Daarna ben ik weer alleen.

Ik loop naar huis.
De stad is leeg.
Niemand ziet het.
Ik maak geluid, ik loop op het ritme van de leren zolen onder mijn schoenen.
Ik ben alleen.
Ik maak geluid.
En niemand hoort het.
De shampoofles is leeg.
Ik ga naar bed.
Morgen weer een dag.