bar

Het vierde drankje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan bestelden ze bij elk rondje drie bier en een portje. Maar op een dag was de portdrinker dood, en nu bestellen ze nog altijd haar drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
Het is even stil.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de drie bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.