Het is lente. De tijd gaat voorbij.

We are the last five
In the present as were we still
It is spring
Time passes

Toen ik het nieuws van je dood hoorde ben ik een tijdje in de kamer blijven staan. Ik had mijn telefoon in mijn hand en ik keek naar de muur, de muur waar twee schilderijen hingen. Ik stelde me voor hoe het gegaan was. Ik dacht aan willekeur terwijl ik naar de twee schilderijen keek. Op het ene schilderij een lange weg met bomen, op het andere een vaas met bloemen met fruit ervoor.
De muur was wit en had een paar barstjes in het stucwerk.
Ik dacht aan willekeur. En hoe dat werkt. Aan hoe iemand die schilderijen had zitten schilderen en dat ik daar nu iedere dag naar kijk, terwijl ik niet eens weet wie dat deed.
Ik weet eigenlijk niks van alle dingen om me heen.
Al mijn hele leven denk ik er af en toe eens aan, als ik in de rij van een drukke winkel sta: dat iemand me zo dood kan maken. Maar dit soort dingen wuif je in jezelf weg. Ik heb ooit op televisie een seriemoordenaar horen zeggen dat hij zich superieur voelde omdat hij iedereen die hij niet doodde liet leven. Hij was een soort god. Hij was zo goed dat hij het merendeel van de mensen liet leven. Ik weet niet hoe vaak iemand mij heeft laten leven. Ik leef nog steeds, gek genoeg. Je kunt gewoon ieder moment dood gaan. Mensen beseffen dat niet. Als je in de rij voor de supermarkt staat, als je over straat loopt, of als je bijvoorbeeld op een bankje zit te wachten op de trein.
Dat kan gewoon.
Uiteindelijk zijn we gewoon vel, botten en vlees. Zoals een koe, zoals de spullen in de koeling van de supermarkt. Mensen dragen make-up, verbouwen zichzelf, laten neptieten innaaien, maar uiteindelijk zijn we gewoon datzelfde vlees als in de supermarkt. Varken, koe. Met hersenen, nieren en botten. We lopen, we zijn bang, we zijn opgetogen en we vergeten alles wat onze hersenen programmeren om te vergeten. Eten, neuken, slapen. Uiteindelijk draait het om die drie dingen. Op een plek waar je niet heel snel doodgaat.
Pas at ik een bakje noodles uit een pakje. Op de verpakking stonden alleen Chinese tekens en er was een sticker op geplakt met in het Nederlands de ingrediënten. Toen ik de noodles at, had ik ineens een dikke zwarte haar in mijn mond en ineens realiseerde ik me dat die haar ergens in China uit iemands hoofd is gegroeid, mee onder de douche is geweest, misschien zelfs wel geliefkoosd is, dat die haar mee is gegaan naar de noodlesfabriek en daar van het hoofd van diegene is gevallen en juist in mijn pakje noodles is terecht gekomen. En diegene die loopt nu nog ergens rond. Die leeft, die eet, die heeft lief en die zal nooit weten dat ik die haar in mijn mond had. Hier in Holland, om drie uur ’s nachts.

En ik dacht: ik kan misschien wel ontkomen aan het besef dat we vlees en botten zijn.
Maar dat is niet zo.
Want jij bent dood.
En degene van de haar in China is misschien ook wel dood.
Misschien heeft niemand die ik ken ooit echt lief gehad.
En is dat wat ons bindt: wij, de normale mensen. We zijn allemaal maar gewoon vlees, dat goed verkocht wil worden. Dat we de mooiste willen zijn, de breedste, de slimste of de knapste. Dat dat vlees toch nog ergens goed voor is.
Dat willen we.
En dat is wat ons bindt. Ik, de seriemoordenaar, de meneer of mevrouw in de noodlesfabriek, degene die het schilderij maakte, U aan de andere kant van het internet.
En jij.

Het is lente.
De tijd gaat voorbij.