Glimlachend zuchten jong

Geschreven tijdens en voor Into The Great Wide Open Festival te Vlieland

Stortemelk – Dorpstraat, deel 1

De blonde jongen met de portofoon en het oortje praat tegen een meisje. Ze is slank, donker en kijkt om zich heen. Ze draagt een bloemenjurk. Tussen zijn benen steekt een mountainbike.
“Als we al een schema hadden, dan lagen we er nu op achter,” zegt de jongen. Hij snuift en maakt zich wat breder.
Het meisje knikt flauwtjes, zegt iets van “hmm-hmm”, draait zich om en loopt weg.
De jongen blijft staan. Hij is even stil en drukt dan tegen het oortje van zijn portofoon.
“Ja wátte!” roept hij.
Ik loop snel door.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 2

“Ik moet Teun nog bellen.”
“Ach, jij met je Teun. Je kent hem net drie dagen.”
Ik wandel achter twee mädl. Echte Hollandse mädl. Met heupen en een paardenstaart.
De vriendin van de vriendin van Teun kijkt nors. Ze steekt een Belinda Mentol op.
“Er zijn hier allemaal blonde kindjes,” zegt de vriendin van de vriendin van Teun.
De vriendin van Teun zucht. Ze zucht met een glimlach.
Dat zag ik veel, overigens, zo op dat blokje om, op en neer naar het dorp: zuchten met een glimlach.
“Maar jij heb toch een takkehekel aan kinderen?” zegt de vriendin van de vriendin van Teun.
Het is even stil.
“Ach weet je, van Teun wil er ik er tien.”
Ik ben ondertussen benieuwd naar Teun, maar de mädl slaan af, het bospad op en ik overweeg om ze te volgen.
Ik wil ook een Teun.
Ik loop door.
Een blokje om is immers een blokje om.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 3

Twee jongetjes op fietsen met zijwieltjes. Ze hijgen beide, de één wat meer dan de ander.
De minst hijgende praat.
(Leze met Fries accen:)
“Dat zijn toch geen Vlielanders, jòng. Dat zijn badgasten.
Ze schieten de hoek om, hun knieën nog net niet tegen het stuur.

Stortemelk – Dorpstraat, deel 4

“Er lopen hier alleen maar de hele dag meisjes binnen die fleecedekentjes komen kopen.”
Ik kijk naar het schap. Er liggen nog twee rooie en eentje met bloemen. In mijn armen heb ik de laatste bruine en de laatste witte.
“Die met die bloemen zijn voor kinderen,” zegt de mevrouw.
“Of dwergen,” zeg ik.
“Pardon?” zegt de mevrouw.
Ik schud mijn hoofd.
“Laat maar,” zeg ik. “Ik raaskal. Ik heb vreselijk slecht geslapen.”
“Ach kiend, hoe komt dat?” zegt de mevrouw.
Ik kijk naar de twee fleecejes in mijn armen.
De mevrouw knikt.
Natuurlijk.
“Slaap lekker,” zegt ze als ik de deur uitloop.
“Dank je,” zeg ik.
Ik kus de fleecejes als ik buiten ben.
Ik zucht glimlachend.
Weet u wel. Zoals dat hoort.