flets

Flets zonnetje

1.
De halve route fietste er een passief agressief neuriënde vrouw achter me. Ze droeg een paars mantelpak en laarzen die strak om haar kuiten zaten. Alsof ze een zakenvrouw was die onlangs op een “Op zoek naar je innerlijke zelf”-cursus was geweest. Toen ze me inhaalde wilde ik met mijn voorband een tik tegen haar achterwiel geven, maar ik deed het niet.

2.
Vijf dames met korte haren en gekleurde brillen zitten achter me in de trein.
“Het is wel koud.”
“Ja, het is koud.”
“Het valt me echt tegen, die temperatuur.”
“Mij ook. Fris is het. Fris.”
“Nou, maar in de zon is het best lekker.”
“Ik hou er wel van hoor, van de zon.”
“Ik hou ook van de zon.”
“Ik ook.”
“Ja, in de zon is het niet zo koud.”
“Ja, de zon is lekker.”
“In de zon is het niet zo koud.”
“Ja Mam, dat zeg ik net.”
“Wat zeg je net?”
“Ik hou van een lekker zonnetje.”
“Ik zeg net dat het in de zon niet zo koud is.”
“Dat was precies wat ik dacht, ja!”
“Nee, ik zei dat al.”
“Ik hou ook van een lekker zonnetje.”
“Ik zei dat ook.”
“Ik zei het eerder.”
“Als je zo naar buiten kijkt, dan zou je het niet zeggen, ik bedoel: dat het zo koud is.”
“O, dat had ik niet gehoord.”
“Ze luistert nooit naar me. Nooit gedaan ook.”
“Ik had alleen niet gehoord dat van de zon.”
“Wat was er met de zon? Wordt het nog warm vandaag?”
“Nee, dat Gini zei dat ik zei dat zij al had gezegd dat van in de zon het niet zo koud is.”
“Nee, in de zon is het best lekker.”
“Als je uit de wind zit.”
“Ja, uit de wind is het lekker.”
“Maar in de wind, fris!”
“Nou! Fris!”