Die Zauberflöte

Bij BSO de Toverfluit (ik verzin die naam niet eens) zaten drie jongetjes op een houten stellage die verbonden was met een waterpomp. Één jongetje pompte, één keek naar het water dat uit de houten waterweg de bak instroomde en één zat schrijlings op de stroom.
Ik fietste voorbij in een flets zonnetje dat door de wolken probeerde te schijnen, terwijl ik het leven overdacht.
Vlak voor de drie jongetjes dacht ik letterlijk: this is as good as it gets.
En wat dan nu?
Nou?
Ik word altijd bang van het goed hebben, dus ik floot.
Hard.
En vals.
Mooi kunnen fluiten is een deugd.

(Ik kan overigens niet fluiten, maar ik omring me graag met mensen die wel goed kunnen fluiten. Ik vind dat toch echt één van de fijnste dingen, ergens aan een keukentafel zitten terwijl er iemand in de keuken mooi fluit. Of zoals gisteren, in de kringloopwinkel, dat ik door de schappen ga en ’t winkelgezelschap van de dag een stuk verderop hoor fluiten. En dan iets moois. Iets als dit: kilk!
Dat het leven een film lijkt.
Dat is niet vaak.
Soms.
Gisteren.
Maar goed… Waar had ik het over? Over… Over…)

Goed.
Ik floot.
Terwijl ik voorbij fietste hoorde ik het jongetje dat aan de pomp roepen tegen ’t kind dat op de holle houten balk zat.
“Nu! Nu! Nu moet je plassen!”
Ik keek om, snel, vluchtig, want ik had het idee dat ik een misdaad beging, zo omkijkend naar een plassend kind.
In een flits zag ik alleen het gezicht van het kind. En ik hoorde ‘m “hòòòòò” doen.
’t Gezicht vertrokken. Mond open, ogen dicht.
Ik dacht aan de pest.
Ik dacht aan Stad der Blinden.

We zijn allemaal beesten, dacht ik.

En:
This is as good as it gets.

Ik floot de weg naar huis.
De zon brak door.
Het komt allemaal goed, fluisterde er iets.
The Opposite Of Hallelujah is vertrouwen hebben.
Vals gefloten of niet.