De storm en de merel

Het stormde en in ons ouwe huis klapperde alles wat een sponning in zich droeg. Het was nog vroeg, een uur of zes, ergens in de verte werd het licht. Ik slaap altijd goed als het stormt en regent, altijd al gedaan, ik ben één van de mensen die blij wordt van het feit dat het al dagen hoost. Ik hield mijn ogen nog dicht en luisterde naar de storm buiten, en toen ineens hoorde ik in de boom voor ons raam een merel. Ik kroop nog dieper onder de dekens en ik luisterde net zolang tot de slaap me weer greep. De merel zong alsof er geen storm aan de hand was, alsof de takken van de boom niet woest heen en weer zwiepten, alsof het gewoon een dag was die zou samenvloeien met alle andere dagen van dit jaar. Ik dacht: had ik het opgenomen, dan was het nooit zo mooi geweest dan dat ik het nu kan onthouden. Ik dacht: ik moet nog niet in slaap vallen. Maar ik viel in slaap, zoals dat misschien altijd wel gaat met de mooiste dingen in het jaar.