Venlonaren dansen geen polonaise

Het is midden op vastelaovesmaandag als mijn vader ontwaakt uit zijn narcose en een delier krijgt. Ik sta buiten in een steeg met een plastic beker brand in mijn hand en mijn mobiel aan mijn oor. Binnen in de kroeg klinkt een joekskapel. Er wordt gezongen. Ik kijk de straat in. Het is nog licht.
“Hij wil steeds uit bed en dat mag niet,” zegt mijn moeder aan de andere kant van de lijn. “En ze kunnen ook niet iemand van de verpleging de hele nacht naast zijn bed zetten.”
“Nee,” zeg ik.
Mijn ogen voelen zwaar. Overal klinkt muziek en gezang en ergens hoor ik kerkklokken slaan. Terwijl mijn moeder praat, kijk ik op mijn telefoon. Het is half vijf.  Als ik de telefoon weer aan mijn oor houd, zegt mijn moeder: “Han? Han?”
“Ja?” zeg ik. Normaal kan ik haar op bed leggen en een hele wasmand was ophangen zonder dat ze het merkt. Mijn moeder vraagt nooit iets. Nooit gedaan. Behalve vandaag.  Mijn moeder zegt dat ik mijn broers moet zoeken en dat we naar het ziekenhuis moeten komen.

Na drie kroegen heb ik mijn broers gevonden. Ik ga niet meer zo vaak terug naar Venlo, voor de vastelaovend, ik kan er niet meer zo goed tegen als vroeger, al die dagen zoveel zuipen. Ik word er ziek van.  Mijn broers hangen aan de bar van De Klep en zijn verkleed als Fidel Castro en Prins Willem Alexander.
“We moeten naar het ziekenhuis,” zeg ik, terwijl ik mijn telefoon omhoog hou, alsof dat iets betekent, die telefoon. Ik heb een goedkoop zigeunerachtig pak aan waar ik me eigenlijk voor schaam, buiten frommel ik een sigaret uit een geplet pakje Belinda. Yolante Cabau van Kasbergen, had ik mezelf maar gedoopt. Maar ik zag er eerder uit als een vergeten popster uit de jaren tachtig die madonna na probeert te doen. We lenen een fiets en met z’n drieën rijden we op één fiets de Tegelseweg in, de stad uit, op weg naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het een drama op de kamer van mijn vader. Mijn moeder houdt hem vast, samen met een verpleegster, maar mijn vader is sterk en mijn moeder al in de zeventig. Mijn moeder laat los als ze ons ziet, ze begint te huilen en zet een stap naar achter. Ik word altijd boos als mijn moeder huilt, ik weet niet hoe dat kan. De verpleegster roept dat we het over moeten. We pakken hem vast. Fidel Castro, Willem Alexander en Yolanthe Cabau van Kasbergen houden mijn vader in een houdgreep. Mijn broers hebben zijn armen en zijn benen en ik leg een hand in zijn warme nek, die nat van het zweet is. Mijn vader is een man die nooit veel zegt, die zich nooit verzet heeft en ergens achterin mijn hoofd, ergens achter diegene die hier aan het handelen is, die haar vader probeert te kalmeren, verbaas ik me erover dat deze man zo op mijn vader lijkt, maar zo totaal anders doet dan mijn vader. Het lijkt of na al die jaren, dat hele leven stilte, ineens alles eruit wil. Hij schreeuwt, brult en alles aan hem slaat en schopt met alles wat hij in zich heeft.  Dan komt er iemand binnen die iets in zijn infuus spuit. Mijn vader valt in slaap. Ik kan me niet meer herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Mijn vader is geen knuffelaar.

“Jij hoeft hier niet te blijven slapen,” zegt mijn oudste broer tegen mijn moeder. “Wij doen het wel.”
Ik kijk mijn broer aan. Ik wil helemaal niet in het ziekenhuis slapen.
“Ja,” zeg ik.
Ik vraag ook nooit iets. Nooit gedaan ook.
“Ga maar,” zeg ik.
Mijn moeder pakt haar tas en we krijgen allemaal een kus.
“Hij lijkt op jou, als je dronken bent,” zegt mijn ene broer tegen mijn andere broer als mijn moeder weg is.
“Inderdaad,” zegt mijn andere broer.
Op de kamer hangen ballonnen. We kijken televisie en om de beurt gaan we een sigaretje roken. Over de gang rollen karretjes, alles ruikt zoals je verwacht dat het ruikt in een ziekenhuis. Ik denk aan mijn dode tantes, aan sommige vriendinnen, aan iedereen die hier lag, aan iedereen die hier huilde. Ik ga naast mijn broer in het bed naast mijn vader liggen. Op de tv loopt een vrouw met een geweer door een steeg, de carnavalszender hebben we afgezet. Mijn pruik hangt aan de kapstok. Ik val in slaap.

Mijn vader rent als een dronkenman de gang over en mijn oudste broer heeft hem bijna. Hij heeft een punt van mijn vaders ziekenhuisjurk al vast. Ik ren er achteraan om de infuusstok overeind te houden, die hij achter zich aan sleept. De standaard krast over het linoleum. Achter me hoor ik mijn andere broer uitglijden, ik voel zijn handen zich nog vastgrijpen aan mijn kuiten.
We lijken wel een kroeg in polonaise, maar venlonaren dansen geen polonaise.
Al worstelend krijgen we mijn vader terug naar de ziekenhuiskamer. Zijn katheter is losgesloten en overal ligt bloed. Mijn vader slaat me. We wachten op de verpleging. Ik leg mijn wang tegen zijn warme hoofd, zijn schokkende hoofd, het ruikt naar een oud mannetje. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Ik duw mijn wang strak tegen hem aan, bij zijn oor en ik wieg hem, zo goed en kwaad als het kan en ik zing mijn lievelings vastelaovendsliedjes.
Ik zing: Dich maks de kachel met mich aan Marieke, waat ofste van mich dinks det luut mich kalt, me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje en auk mien hert neet det ik raozend van dich halt.
En dan, als laatst: Zoë is ‘t laeve, waat kan ‘t gaeve. We doon maar allemaol wat water beej de wién. Op idder paedje ein roéze-blaedje en nao `t straevele ein bietje zônneschien.
Mijn vader valt in slaap. Hij heeft nooit veel om vastelaovend gegeven.

Ik word wakker omdat een verpleegkundige de ontbijtkar naar binnenrolt.
“Wat wil hij drinken?” Vraagt de verpleegster.
“Ik denk chocomel,” zeg ik.
Ik weet dat nog van vroeger, dat hij graag chocomel dronk. Ineens moet ik huilen, alleen omdat ik aan die chocomel van vroeger denk. De verpleegkundige geeft me een klopje op mijn schouder.
Ik smeer de boterhammen. Ik zet een rietje in de chocomel. Ik voer mijn vader kleine stukjes boterhammen met kaas en af en toe duw ik het rietje tussen zijn lippen. Hij heeft honger. Hij eet gretig.
Honger is goed, denk ik.
“Lekker,” zegt mijn vader.
Hij is er wel, maar hij is er niet, denk ik en voor het eerst in mijn leven voel ik me op mijn gemak bij mijn vader. Want euver hônderd jaor, jao jao des iérlik waor, dan bisse deeze tiéd, veur altiéd kwiét, zing ik, dicht bij zijn oor, ik zie de stugge rode haren die uit zijn oor steken. Mijn vader grijpt met zijn hand in de lucht en pakt dan mijn pols. Hij zegt niets. Hij knijpt alleen maar. Ik leg mijn hand op zijn hand en zo zitten we daar.
Als mijn broers wakker worden, steek ik een duim op.
“Is het allemaal goed?” vraagt mijn oudste broer.
Ik knik.
Ik zeg: het is allemaal goed.
Het is allemaal goed.

De trolleyrace

We horen de geluiden van een sportevenement. Joelende mensen, gesnuif en gehijg, geblieb van portofoons. Er hangt spanning in de lucht. Een wedstrijd die bijna gaat beginnen.

COMMENTATORSTEM
En de spanning is te snijden rond de start. Nu zal het er om gaan spannen na een druk en bewogen seizoen en over enkele minuten zal dan eindelijk de jaarlijkse en dit jaar kei-har-de wedstrijd zijn hoogtepunt bereiken.
De baan is vanochtend door de experts nog een laatste maal gecheckt en nu staat het bom-me-tje vol langs het parcours door het dorpspark van Abbegaasterketting.
Wedstrijd der wedstrijden.
De scheiding van het kaf en het koren.
De strijd der Titanen.
Of moet ik Titanettes zeggen?
De dames hebben zich warm gelopen en na wat rek- en strekoefeningen nemen ze nu dan eindelijk plaats in de startblokken.
(Er klinken voeten over het gravel, het gesnuif wordt luider, coaches schreeuwen nog laatste aanwijzingen.)
Hun gezichten verbeten van de spanning. Dit is pure concentratie, dames en heren. Topsport in zijn puurste vorm. José van de Pasch heeft haar  startpositie ingenomen en ook Annie van de Laar lijkt nu er helemaal klaar voor te zijn . Van de Laar geeft een kusje op het medaillon met een haarlokje van haar dochtertje, haar talisman die ze altijd om haar nek heeft hangen en die haar dit seizoen nog geen windeieren heeft gelegd. De laatste wedstrijd, het hoogtepunt, hier, nu in Abbegaasterketting.
En wat is het een seizoen geweest, mensen, wat een seizoen. Een laatste sjor aan de winkelkarretjes en dan…
(Stilte, gevolgd door een luide knal.)
Het startschot!
(Ratelende wielen van winkelwagentjes over een parcours vol gravel.)
En Annie van de Laar gaat meteen aan kop!
Vaak al de gedoodverfde winnaar genoemd!
En wat gáát ze hard met die winkelwagen, dames en heren.
Maar ze is dan ook een expert op het gebied van gravel.
Een paar meter achter haar hijgt de hete draadjesvlees met jus-adem van José van de Pasch in de nek van Van de Laar.
Oh! Van de Pasch valt bijna, maar weet zich nog net overeind te houden aan haar winkelwagen. Of moet ik eigenlijk trolley zeggen, zoals de dames het zelf tegenwoordig prefereren.
Er gaat een golf van opwinding door het publiek dat leuzen scandeert vanaf de zijlijn.
Van de Pasch heeft toch nog een verbazingwekkende snelheid weten te behalen, bedenkende dat ze eigenlijk pas net hersteld is van een zware blessure aan haar knieën. Ze komt met haar voorwieltjes akelig dicht bij de voeten van Van de Laar.
Wat een kracht heeft deze vrouw, wat een souplesse.
Bij haar laatste training wist Van de Pasch me te vertellen dat haar voorliefde voor een glanzend parket haar kansen op het kampioenschap danig had doen slinken, maar dat ze alles op alles had gezet om haar eeuwige rivaal te verslaan.
Mensen, gaat het haar lukken?
(Harder gejuich.)
Abbegaasterkettingers langs de kant kunnen de spanning nauwelijks aan.
En uw commentator zit op dit moment ook op het puntje van zijn stoel hoor, dames en heren.
De eerste lastige bochten zijn met glans doorstaan en nu denderen de dames met hun roestvrij stalen trolleys verder over het gravelparcours, met in de verte al de eindstreep in zicht.
O!
(Gegil en geschreeuw.)
Van de Laar kijkt om! En schampt met de zijkant een hooibaal!
En dat zo vlak voor de finish!
Maar ze herstelt zich, en nog steeds op kop is ze toch een half metertje bij gehaald door van de Pasch.
Nieuwsgierig Aagje, die Annie!
Nieuwsgierig Aagje!
(Lacht luid.)
De dames zijn ondertussen met de fíets niet eens meer bij te houden.
Verbeten trekken rond hun mond.
Maar o!
Wat nu?
Annie van de Laar spuugt!
En José van de Pasch krijgt de klodder in haar oog!
Met nog maar één oog om mee te zien wordt de strijd nu echt heel grimmig.
En Van de Pasch zet nu een extra tandje bij!
Nog maar tientallen meters.
Maar!
Wat nu!
Nee!
Haal dat kind daar weg!
Haal dat kind!
Nee!
O!
Annie van de Laar kijkt weer om!
Nee!
Niet omkijken!
Haal dat kind weg!
Dames en heren!
Annie van de Laars dochtertje is zojuist vlak voor de finish het parcours komen opgelopen!
O! Annie!
(Luid gegil van het publiek. Paniek.)
Met een bosje bloempjes in haar handjes!
Annie’s grote trolley blokkeert het zicht op dat kleine kleine meisje!
Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee!
(Stilte. Fluistert.)
Een doodse stilte.
Alleen het geluid van van de Pasch’s winkelwagenwielen over het parcours.
José van de Pasch breekt het lint bij de finish.
(Stilte.)
Mensen.
We hebben een winnaar.
(Zucht.)
We hebben een winnaar.
 

Het vierde drankje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan bestelden ze bij elk rondje drie bier en een portje. Maar op een dag was de portdrinker dood, en nu bestellen ze nog altijd haar drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
Het is even stil.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de drie bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.

Angst

Ik sta te koken en ik durf de afzuigkap niet aan te zetten. Ik denk er niet eens echt bij na. Ik ga gewoon uit de weg dat ik dat ding moet aanzetten. Waarom weet ik niet: niemand van de nieuwe buren kan de afzuigkap horen, mijn dochter zit met mijn man ergens verderop in de woonkamer van ons nieuwe huis te spelen en ik heb net een paar tenen in de braadpan geknepen, dus dat ding moet wel aan.
Terwijl ik naar de knoppen kijk, besef ik het voor het eerst in mijn leven.
Dit heb ik altijd.
Altijd als er iets groots in mijn leven is veranderd.
Dan raak ik versteend bij tijd en wijle.

Het was al aan de hand toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in een prima studentenhuis. Met leuke mensen, daar lag het niet aan, maar de eerste maanden durfde ik nauwelijks de gang op. Dan luisterde ik een hele tijd aan de deur en pas als ik niemand hoorde in huis sloop ik de gang op. Ik hield de gordijnen dicht, deed alsof ik er niet was. Terwijl ik verder prima functioneerde: ik at met mijn huisgenoten samen, we gingen samen uit, we waren vrienden, niets vreemds. Ik heb zelfs altijd een grote mond. Doe alsof ik nooit bang ben. Niemand me ook maar iets kan maken.
Maar tussen al die activiteiten door stond ik als versteend bij iets eenvoudigs als over de gang naar het toilet moeten.
Dan wachtte ik. En wachtte ik. En als het huis dan muisstil was, sloop ik de gang op.

Soms hoor je wel eens dat iemand in een studentenhuis een huisgenoot had die klaarblijkelijk in plastic zakken poepte. Ik heb dat gelukkig nooit gedaan, maar als je ’t een graadje erger had dan ik, dan snap ik dat iemand zoiets gaat overwegen.
De grootste vijand van de mens is zijn brein. Niet het dier dat in een zak schijt.

Toen mijn dochter net was geboren, was het ’t ergst ooit, realiseer ik me daar voor die afzuigkap. Ik durfde maandenlang niet de radio aan te zetten, terwijl ik mijn hele leven ’s ochtends Radio 1 aan heb staan. In bed las ik ineens alleen nog maar wielerboeken omdat ik niet verder wilde gaan in het boek dat ik aan het lezen was voor de geboorte (iets van Stephen King, mijn lievelings), ik durfde mijn haar niet meer los te doen als ik ging slapen en ik speelde geen Tetris meer op de gameboy, want ik wist zeker dat ze zou gaan huilen en zou blijven huilen tot het einde der tijden en dat ik gek zou worden. Echt gek. Niet gewoon een beetje bang. Maar gek. Voor altijd gek.

Mijn man komt naast me staan.
‘Wat doe je?’ zegt hij, terwijl hij de afzuigkap aanzet.
‘Ik durf de afzuifkap niet aan te zetten,’ zeg ik verbaasd.
Ik krijg een kus.

Ik open de gangkast, sla met wat deuren, stamp de trap op.
Een half uur later zet ik zingend de potten op tafel. Mijn dochter zingt mee vanuit haar stoel, mijn man trekt een fles wijn open. Mensen die geen moeite hebben met ruimte innemen.
En zo kom ik tot het volgende besef van die dag: dat ik kan concluderen dat verhuizen veel minder heftig een impact op een mens heeft, dan het krijgen van een kind.

Iemand zei ooit dat je elke dag iets moet doen dat je eigenlijk niet durft. Vandaag zijn dat simpele dingen, als herrie maken. Aanwezig zijn.

Geen idee wie dit schreef

(Lange stilte. Ze kijken beiden de open koelkast in.)

OOM HEIN:
Jan

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Zie je wat daar ligt daar naast de oude kaas?

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Wat dan?

JAN:
Een toneelstuk

OOM HEIN (lachend):
Een komedie
Jazeker een komedie

U bent niet alleen

En dit!
“In 2006 plaatste ik een fotootje op mijn weblog, dat mij afgelopen week een dikke rekening opleverde. Deze podcastaflevering is het verhaal van deze foto, hoe het afliep en hoe een Belgische machine rechthebbend materiaal opspoort en daar dikke rekeningen over verstuurt waar je niet of nauwelijks onderuit komt.”
Door Botte Jellema. Alhier: Klik.

Pekske Caballero zonder filtar

1.
Het meisje naast me in de trein bekeek de filmpjes van haar vlog op haar laptop. In één daarvan pakte ze in haar ondergoed haar vakantiekoffer in. Ik keek naast me, ze had geen koffer bij zich. In een ander filmpje lag ze met haar vriend op bed. Een weelderig bed met schone witte lakens om de donzige dekbedden. Niemand had last van het warme weer, niemand had last van geen tijd om het bed te verschonen. Soms maakte ze selfie van zichzelf, waardoor het leek alsof ze me vanaf haar scherm aankeek, maar ze zag natuurlijk alleen zichzelf. Toch voelde ik me betrapt.

2.
“Ik moet wel in de zon zitten natuurlijk, om dit kleurtje een beetje bij te houden,” hoorde ik een vrouw in het voorbijgaan zeggen. Ze had een hese raspende stem, het soort stem dat mijn broer altijd Un pekske Caballero zonder filtar noemde. Op de televisie zou deze scène zijn afgeketst omdat de vrouw te oranje was, haar haar te blond en haar stem te hees.
Nu was het echt en moest ik lachen, maar dat heeft niemand gezien of gehoord.

3.
Nu drink ik koffie op een terras en wacht ik hierop.
Een enge meneer groette me, ik knikte minzaam terug.
Misschien schrijft hij nu ook wel een stukje op zijn website.
Over die wijven tegenwoordig.
Die groeten nog niet eens fatsoenlijk.

Per trein

1.
Aan de andere kant van de lange glazen wand stond een zwerver in de zon. Hij stond met zijn ogen dicht in de warmte van de ochtendzon, het was een uur of negen. Ik liep aan de andere kant, binnen in het station. Het was een hele knappe man, dat viel me meteen op en ik vond het meteen vreemd dat me dat opviel. Waarom zouden zwervers niet knap kunnen zijn. Hij leek uit een reclame voor shag gelopen, iets met een cowboy, iets met the outback. Iets in hoe hij zijn handen hield verraadde hem, vertelde dat hij niet gewoon een woeste man was, niet gewoon iemand, maar dat er iets mis was, iets in hoe hij bijna onzichtbaar iets aan het mompelen was. Ondertussen scheen de zon alsof de wereld niet in elkaar aan het donderen was en hij stond daar maar, ogen dicht, lichte glimlach rond zijn mompelende lippen, handruggen naar de zon. Hij stond fier rechtop. Ik vertraagde mijn pas, zodat ik langer naar hem kon kijken, terwijl de rolkoffers om me heen ratelden. Toen schoof er een houten stalletje met daarin een spoorwegmevrouw mijn beeld in. Ze keek me aan, keek over haar schouder naar de meneer en keek me toen weer aan. Wat sta jij nou naar die arme man te kijken?. Dat zei die blik. Ik draaide snel mijn hoofd weg.
Toen ik verder liep schaamde ik me, terwijl ik, als ik er zo over nadenk, helemaal niets had om me over te schamen en die meneer helemaal niets deed waarmee hij betrapt kon worden.

2.
“Toch grappig,” zeg ik tegen het meisje van de koffie- en pastazaak. “Ik zie hier elke zaterdagochtend dezelfde mensen zitten.”
Ik geef zaterdagochtend les in Den Bosch en sta dus iedere zaterdagochtend om negen uur stipt een koffie te kopen op het station, ook al neem ik me iedere zaterdagochtend voor om dat niet te doen, want: teringduur die koffie.
“Die meneer in die stoel,” zeg ik. “Die zat er de laatste drie zaterdagen ook.”
Ik wijs naar de koffiebar naast de koffie- en pastatent. Het meisje leunt over de balie en kijkt.
“O ja, dat kan zeker kloppen.”
We kijken naar de man. Hij neemt tevreden een slok uit zijn mok.
“Maar hij zit er doordeweeks ook de hele dag.”
“O,” zeg ik.
“Tja,” zegt het meisje.
Ik dacht dat ik iets ontrafeld had. Een structuur had ontdekt waarin anderen entiteiten zich op dezelfde plekken begeven als waar ik me bevind. Iedere zaterdagochtend op het station bij de koffietent. Maar hij zit daar altijd.
“Er zijn heel veel mensen die hier een hele dag rondlopen,” zegt het meisje. “Iedere dag.”
“Dus jij ziet dat allemaal?” zeg ik.
“Ja,” zegt het meisje. “Allemaal.”
“Ik ben jaloers,” zeg ik. Ik pak de beker koffie op. Ik meen dat.
Het meisje haalt haar schouders op.
“Ach,” zegt ze.
Ach.

3.
In de trein vertelt een meneer aan zijn kleinzoon steeds opnieuw de route, want er mag natuurlijk geen stilte vallen. De jongen hangt in de treinstoel. Hij kijkt uit het raam.
“Nu zijn we in Nijmegen en dan zo meteen nog Oss en dan zijn we in Den Bosch. Het is een hele rit. Een hele rit. Maar eerst Oss. Ik vind het nog wel heiïg in Nijmegen, terwijl ik had verwacht dat zoiets rond deze tijd wel weggetrokken moest zijn. Maar goed, eerst Oss.”
De jongen kijkt en kijkt en kijkt en ik herken die blik wel, ik had die ook als puber, dan dacht ik aan hele andere dingen, fantaseerde ik over roem en rockbands en populair zijn en knap.
Pas zag ik het populairste meisje van de middelbare school lopen, ze zag er uit als een moeke, behangen met kinderen, ongelukkig en uitgeblust en ik dacht: als mijn dochter ooit zich ongelukkig voelt omdat ze geen roem heeft, niet in een rockband zit en niet populair is, dan vertel ik haar over dat moment. Niets verwijst echt vooruit naar wat komen gaat. Alles gebeurt maar gewoon. Een zwerver in de zon, de man die er altijd zit, dat gebeurt allemaal maar gewoon en stopt ook gewoon als dat de kosmos zo uitkomt. Ik kan daar veel te lang over nadenken.
Behalve het spoor.
De opa voorspelt alles juist. Steeds opnieuw.
“En dat was Oss, we zijn er nu bijna. Nog vijf minuten. Dan zijn we in Den Bosch. Dan zijn we er.”
“Eindelijk,” mompelt de jongen.
“Juist!” zegt de opa monter.
Juist.