jaymantri-free-stock-photos-1024x678

Geen idee wie dit schreef

(Lange stilte. Ze kijken beiden de open koelkast in.)

OOM HEIN:
Jan

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Zie je wat daar ligt daar naast de oude kaas?

JAN:
Ja

OOM HEIN:
Wat dan?

JAN:
Een toneelstuk

OOM HEIN (lachend):
Een komedie
Jazeker een komedie

tumblr_oihkeqJl9R1sfie3io1_1280

U bent niet alleen

En dit!
“In 2006 plaatste ik een fotootje op mijn weblog, dat mij afgelopen week een dikke rekening opleverde. Deze podcastaflevering is het verhaal van deze foto, hoe het afliep en hoe een Belgische machine rechthebbend materiaal opspoort en daar dikke rekeningen over verstuurt waar je niet of nauwelijks onderuit komt.”
Door Botte Jellema. Alhier: Klik.

De heg

“Wat is een liguster?”, vroeg ik mijn moeder. We stonden in de bieb en mijn moeder stond bij de biografieën. Mijn moeder leende altijd stapels biografieën, al kan ik me niet herinneren dat ze er een ooit uitlas.
Ik drukte een boek tegen mijn borst.
Als ik de bloeiende liguster ruik.
Ik vond het de mooiste titel die ik ooit had gehoord.
“Dat is gewoon de heg”, zei mijn moeder zonder op te kijken van de achterflap van het boek in haar hand. Heg klonk gewoon als klei, als de zandbak en als de houten blokken waarvan ik splinters kreeg en waar ik dan naar keek. Heg klonk als de geroeste kruiwagen, waar mijn broers me in rondreden en een achtbaan nadeden en waarbij het altijd minder spectaculair bleek als dat ik dacht wanneer ik in de kruiwagen klom.
Liguster was een ander verhaal.
Dat klonk als Barbie.
Ik had geen Barbies, ik had een biebpas.

En als ik dan vandaag langs zo’n struik loop, zo’n heg in bloei, dan zitten die titel en die dorpsbieb en die kinderboeken die altijd een beetje plakkerig waren aan de kaft meteen weer in mijn hoofd.

Als ik de bloeiende liguster ruik bleek een kutboek.
Na drie pagina’s legde ik het naast me neer.
Ik zag nog net mijn moeder opkijken van haar biografie en diep zuchten.
Deze zou het ook niet redden.

Pekske Caballero zonder filtar

1.
Het meisje naast me in de trein bekeek de filmpjes van haar vlog op haar laptop. In één daarvan pakte ze in haar ondergoed haar vakantiekoffer in. Ik keek naast me, ze had geen koffer bij zich. In een ander filmpje lag ze met haar vriend op bed. Een weelderig bed met schone witte lakens om de donzige dekbedden. Niemand had last van het warme weer, niemand had last van geen tijd om het bed te verschonen. Soms maakte ze selfie van zichzelf, waardoor het leek alsof ze me vanaf haar scherm aankeek, maar ze zag natuurlijk alleen zichzelf. Toch voelde ik me betrapt.

2.
“Ik moet wel in de zon zitten natuurlijk, om dit kleurtje een beetje bij te houden,” hoorde ik een vrouw in het voorbijgaan zeggen. Ze had een hese raspende stem, het soort stem dat mijn broer altijd Un pekske Caballero zonder filtar noemde. Op de televisie zou deze scène zijn afgeketst omdat de vrouw te oranje was, haar haar te blond en haar stem te hees.
Nu was het echt en moest ik lachen, maar dat heeft niemand gezien of gehoord.

3.
Nu drink ik koffie op een terras en wacht ik hierop.
Een enge meneer groette me, ik knikte minzaam terug.
Misschien schrijft hij nu ook wel een stukje op zijn website.
Over die wijven tegenwoordig.
Die groeten nog niet eens fatsoenlijk.

Per trein

1.
Aan de andere kant van de lange glazen wand stond een zwerver in de zon. Hij stond met zijn ogen dicht in de warmte van de ochtendzon, het was een uur of negen. Ik liep aan de andere kant, binnen in het station. Het was een hele knappe man, dat viel me meteen op en ik vond het meteen vreemd dat me dat opviel. Waarom zouden zwervers niet knap kunnen zijn. Hij leek uit een reclame voor shag gelopen, iets met een cowboy, iets met the outback. Iets in hoe hij zijn handen hield verraadde hem, vertelde dat hij niet gewoon een woeste man was, niet gewoon iemand, maar dat er iets mis was, iets in hoe hij bijna onzichtbaar iets aan het mompelen was. Ondertussen scheen de zon alsof de wereld niet in elkaar aan het donderen was en hij stond daar maar, ogen dicht, lichte glimlach rond zijn mompelende lippen, handruggen naar de zon. Hij stond fier rechtop. Ik vertraagde mijn pas, zodat ik langer naar hem kon kijken, terwijl de rolkoffers om me heen ratelden. Toen schoof er een houten stalletje met daarin een spoorwegmevrouw mijn beeld in. Ze keek me aan, keek over haar schouder naar de meneer en keek me toen weer aan. Wat sta jij nou naar die arme man te kijken?. Dat zei die blik. Ik draaide snel mijn hoofd weg.
Toen ik verder liep schaamde ik me, terwijl ik, als ik er zo over nadenk, helemaal niets had om me over te schamen en die meneer helemaal niets deed waarmee hij betrapt kon worden.

2.
“Toch grappig,” zeg ik tegen het meisje van de koffie- en pastazaak. “Ik zie hier elke zaterdagochtend dezelfde mensen zitten.”
Ik geef zaterdagochtend les in Den Bosch en sta dus iedere zaterdagochtend om negen uur stipt een koffie te kopen op het station, ook al neem ik me iedere zaterdagochtend voor om dat niet te doen, want: teringduur die koffie.
“Die meneer in die stoel,” zeg ik. “Die zat er de laatste drie zaterdagen ook.”
Ik wijs naar de koffiebar naast de koffie- en pastatent. Het meisje leunt over de balie en kijkt.
“O ja, dat kan zeker kloppen.”
We kijken naar de man. Hij neemt tevreden een slok uit zijn mok.
“Maar hij zit er doordeweeks ook de hele dag.”
“O,” zeg ik.
“Tja,” zegt het meisje.
Ik dacht dat ik iets ontrafeld had. Een structuur had ontdekt waarin anderen entiteiten zich op dezelfde plekken begeven als waar ik me bevind. Iedere zaterdagochtend op het station bij de koffietent. Maar hij zit daar altijd.
“Er zijn heel veel mensen die hier een hele dag rondlopen,” zegt het meisje. “Iedere dag.”
“Dus jij ziet dat allemaal?” zeg ik.
“Ja,” zegt het meisje. “Allemaal.”
“Ik ben jaloers,” zeg ik. Ik pak de beker koffie op. Ik meen dat.
Het meisje haalt haar schouders op.
“Ach,” zegt ze.
Ach.

3.
In de trein vertelt een meneer aan zijn kleinzoon steeds opnieuw de route, want er mag natuurlijk geen stilte vallen. De jongen hangt in de treinstoel. Hij kijkt uit het raam.
“Nu zijn we in Nijmegen en dan zo meteen nog Oss en dan zijn we in Den Bosch. Het is een hele rit. Een hele rit. Maar eerst Oss. Ik vind het nog wel heiïg in Nijmegen, terwijl ik had verwacht dat zoiets rond deze tijd wel weggetrokken moest zijn. Maar goed, eerst Oss.”
De jongen kijkt en kijkt en kijkt en ik herken die blik wel, ik had die ook als puber, dan dacht ik aan hele andere dingen, fantaseerde ik over roem en rockbands en populair zijn en knap.
Pas zag ik het populairste meisje van de middelbare school lopen, ze zag er uit als een moeke, behangen met kinderen, ongelukkig en uitgeblust en ik dacht: als mijn dochter ooit zich ongelukkig voelt omdat ze geen roem heeft, niet in een rockband zit en niet populair is, dan vertel ik haar over dat moment. Niets verwijst echt vooruit naar wat komen gaat. Alles gebeurt maar gewoon. Een zwerver in de zon, de man die er altijd zit, dat gebeurt allemaal maar gewoon en stopt ook gewoon als dat de kosmos zo uitkomt. Ik kan daar veel te lang over nadenken.
Behalve het spoor.
De opa voorspelt alles juist. Steeds opnieuw.
“En dat was Oss, we zijn er nu bijna. Nog vijf minuten. Dan zijn we in Den Bosch. Dan zijn we er.”
“Eindelijk,” mompelt de jongen.
“Juist!” zegt de opa monter.
Juist.

Sta op en rise like a phoenix

Omdat ik zelf op één arm een baby heb, en met de hand aan de andere arm afwisselend eet en aan broodschrijfklussen en mijn roman typ, vroeg ik de immer geweldige Quirijn Lokker om dit jaar een voorbeschouwing over het Songfestival te schrijven.
En dat wilde hij!

white_square.jpg

Hoeraaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

Hoeraaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

white_square.jpg
white_square.jpg

***

white_square.jpg
white_square.jpg

Han vraagt via de sms: “Zeg, wil jij de voorbeschouwing voor mijn blog schrijven? Ik kom er dit jaar niet uit.”
“Of ik de voorbeschouwing voor haar blog wil schrijven! Zo gaaf,” zeg ik.
Mijn scharrel hangt rokend tegen de deurpost van het balkon en kijkt me meewarig aan.
“Voor het songfestival! Volgende week!”
Zijn glimlach wordt een beetje spottend en hij stelt me de vraag die iedere songfestivalfan sinds de deelname van Jetty Pearl en Corry Brokken aan de eerste editie in 1956 te horen krijgt: “Vind je dat écht leuk ja?”

Ja, dus. Ik weet natuurlijk ook wel dat er mensen zijn die het songfestival vreselijk vinden. Maar ik dacht dat die in mijn leven in dezelfde categorie vielen als klimaatsceptici, Thierry Baudet-stemmers en niet-vaccineren activisten: ze bestaan, ze hebben geen gelijk en ik kom ze in mijn dagelijks leven niet tegen. Ik had nota bene met deze jongen in bed gelegen.

“Natuurlijk vind ik dat écht leuk”, en voordat ik het goed en wel doorheb begin ik hem te overtuigen. Terwijl ik de, in de laatste maanden grijsgedraaide, “deze gillende meiden doen mee aan het songfestival 2017” spotify-lijst aanzet vertel ik een onsamenhangend verhaal waarom óók hij het songfestival fán-tás-tísch zou moeten vinden.
Ik klik Space aan, de inzending van Montenegro. Het enige liedje met “explicit” naast de titel, een semi-hijgende zanger die teksten als “wet dreams, wild nightmares, I surrender, come into me fromwithin” combineert met zichzelf halfnaakt in allerlei bochten te wringen terwijl hij een anderhalve meter lange vlecht met zijn handen in het rond slingert. Je hoeft geen Freudiaans geschoolde psychotherapeut te zijn om te snappen waar dit liedje eigenlijk overgaat. Laat ik het zo zeggen, zijn moeder was waarschijnlijk een vreselijk wijf. Toch zijn het juist deze liedjes die het songfestival fantastisch maken. Een inzending die “unapologetically” zichzelf is, die met een enorme homoseksuele act de woonkamers van Europa binnen dendert. Zoals hij zelf zegt in een interview op gay.nl: “Ik ben zo dankbaar dat ik een inspiratie voor de LHBT-gemeenschap ben geworden […] het meest belangrijke deze periode vind ik dat de wereld mij gaat zien en dat ik mensen kan inspireren!”
Lieverd, ik help het je hopen.

Eerlijk, tuurlijk zijn de liedjes hysterisch, de acts soms om te huilen en is het punten geven op de bank heel gezellig, maar het allermooiste aan het songfestival is toch het politieke. En dan bedoel ik niet dat gezever dat landen uit Oost-Europa alleen punten geven aan elkaar of dat Oekraïne vorig jaar won vanwege de Krim-oorlog en niet vanwege het liedje. Het mooie zijn de statements, vaak expliciet en vaak ook pijnlijk.

Als klein ventje zong ik al stiekem mee toen Dana International, als eerste transvrouw op zo’n enorm podium, als winnares werd gekroond. Ik moest janken toen Conchita Wurst een paar maanden na de introductie van anti-homowetten in Rusland het songfestival won. In 2014 stopte de Zweedse organisatie een homohuwelijk en een kus in een musicalliedje tijdens de puntentelling. Ze deden dit zo snel dat ze de Russische televisie, die geneigd is onwelgevallige beelden en statements uit de uitzending te knippen, te snel af waren. Een jaar daarvoor was de Finse inzending het lied “Marry me” waarmee de zangeres de Finse regering bekritiseerde voor het nog steeds niet legaliseren van het huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen. Ze eindigde haar optreden met een lange kus met een van haar bruidsmeisjes.
Maar op dit moment worden er in concentratiekampen in Tsjetsjenië homo’s gemarteld en vermoord, en worden families onder druk van de overheid gedwongen hun eigen zoons en neven te vermoorden omdat ze homo zijn. De songfestivalkaravaan is ondertussen aangekomen in Kiev waar vorige week neo-nazi’s het verven van een monument in regenboogkleuren tegenhielden omdat dat LHBTI-propaganda zou zijn. Het kantoor van de Oekraïnse LHBTI-organisatie LIGAwerd overvallen en gesloopt terwijl wij in de voorpret van het festival het motto van deze editie “CelebrateDiversity” al 100 keer voorbij zagen komen.
Het songfestival is hierom fantastisch. Dat LHBTI-activisten in Armenië en Oekraïne net zo hard mee-blèren en dansen op Rise like a Phoenix en Space als wij. Dat we drie avonden lang kunnen doen alsof de wereld net zo fijn is als die paar vierkante meter in Kiev. En dat het me hoop geeft dat al die mensen die over de hele wereld zitten te genieten van SlavkoKalezic die met zijn vlecht staat te spelen uiteindelijk de meerderheid gaan worden.

Ik zucht en druk mijn peuk uit in de asbak.
O ja.
Ik zou een voorbeschouwing schrijven.
Want Hanneke kwam er niet uit vandaag.
En ik dus ook niet.
Maar beter nog: de voorbeschouwing is een liefdesverklaring geworden, en zo hoort het ook bij het Songfestival.
Mijn scharrel kijkt me aan met een gezichtsuitdrukking die waarschijnlijk heel erg leek op die van mij toen hij even daarvoor dolenthousiast vertelde dat Ajax in een of andere finale gewonnen had van een Franse club. Ik klap mijn laptop dicht, mopper iets over de Coolsingel, en trek hem mee naar de slaapkamer.
Tocelebratediversity.
Natuurlijk.

white_square.jpg
white_square.jpg

Quirijn Lokker is antropoloog, ex-barman-extraordinaire, trainer op het gebied van seksuele, gender en culturele diversiteit én, vindt Hanneke Hendrix dan, het Nederlandse antwoord op Graham Norton. (Al mocht ze dat laatste niet zo van hem opschrijven, maar fuk it, dit is haar blog.)

Flets zonnetje

1.
De halve route fietste er een passief agressief neuriënde vrouw achter me. Ze droeg een paars mantelpak en laarzen die strak om haar kuiten zaten. Alsof ze een zakenvrouw was die onlangs op een “Op zoek naar je innerlijke zelf”-cursus was geweest. Toen ze me inhaalde wilde ik met mijn voorband een tik tegen haar achterwiel geven, maar ik deed het niet.

2.
Vijf dames met korte haren en gekleurde brillen zitten achter me in de trein.
“Het is wel koud.”
“Ja, het is koud.”
“Het valt me echt tegen, die temperatuur.”
“Mij ook. Fris is het. Fris.”
“Nou, maar in de zon is het best lekker.”
“Ik hou er wel van hoor, van de zon.”
“Ik hou ook van de zon.”
“Ik ook.”
“Ja, in de zon is het niet zo koud.”
“Ja, de zon is lekker.”
“In de zon is het niet zo koud.”
“Ja Mam, dat zeg ik net.”
“Wat zeg je net?”
“Ik hou van een lekker zonnetje.”
“Ik zeg net dat het in de zon niet zo koud is.”
“Dat was precies wat ik dacht, ja!”
“Nee, ik zei dat al.”
“Ik hou ook van een lekker zonnetje.”
“Ik zei dat ook.”
“Ik zei het eerder.”
“Als je zo naar buiten kijkt, dan zou je het niet zeggen, ik bedoel: dat het zo koud is.”
“O, dat had ik niet gehoord.”
“Ze luistert nooit naar me. Nooit gedaan ook.”
“Ik had alleen niet gehoord dat van de zon.”
“Wat was er met de zon? Wordt het nog warm vandaag?”
“Nee, dat Gini zei dat ik zei dat zij al had gezegd dat van in de zon het niet zo koud is.”
“Nee, in de zon is het best lekker.”
“Als je uit de wind zit.”
“Ja, uit de wind is het lekker.”
“Maar in de wind, fris!”
“Nou! Fris!”

Veertien uur the Lemonheads

Toen ik dertien was mocht ik met een vriendinnetje mee op vakantie naar het zuiden van Frankrijk, samen met haar moeder en haar stiefvader. Het was herfstvakantie en we gingen met de auto. Ik ging niet vaak op vakantie, mijn ouders hebben daar nooit heel veel aangevonden. Daarbij hadden we een huis met een grote tuin en een park om de hoek en het bos op tien minuten lopen, dus waarom zouden we ergens op de camping gaan zitten. Ik wilde graag op vakantie. Ergens heen. Andere kinderen ontmoeten.
Dat vond ik toen zo gecompliceerd, die leeftijd dat je jezelf en je leeftijdgenoten geen kinderen meer wilt noemen, dat je een nieuwe term moet gaan verzinnen voor bij elkaar spelen. Ik weet nog dat ik met mijn twee beste vriendinnen ervoor ben gaan zitten en dat we hebben vergaderd over een nieuwe terminage. We kwamen uit op bij elkaar langs gaan. “Kom jij donderdag anders bij me langs?” Dat klonk volwassen, maar betekende gewoon hetzelfde als spelen. Ik ben nog steeds heel erg tevreden over die benaming die we verzonnen. Slim, simpel en doelstreffend.
Hoe dan ook: ik mocht met Gem mee op vakantie. Het was een treurige familie, de familie van Gem. Haar ouders waren gescheiden in een vechtscheiding, haar broer had zelfmoord gepleegd en ze lag constant in de clinch met haar moeder. De stiefvader was een internist die weinig zei. Hij reed de wagen en Gem en ik zaten achterin met onze walkmans.
Na de eerste nacht in Gruissan wilde ik al naar huis. Ik heb dat toen niet gezegd, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om te vertellen dat ik het vreselijk vond, dat hele principe van vakantie. Later leerde ik dat vakantie ook iets is dat je moet leren, maar ik wilde gewoon thuis zijn, bij mijn broers en mijn ouders en mijn boeken en de kersenboom. Niet de hele tijd te hoeven converseren. Want dat is wat er gedaan werd, er werd geconverseerd over kunst en aardkleuren en de natuur en het milieu en hoe, maar dan sjieker gezegd, alles naar de klote zou gaan. Ondertussen leefde ik van gebakje tot gebakje, want dat hadden ze wel goed in de smiezen: dat het leven draait om taartjes.
Taartjes en muziek.
Ik had gelukkig mijn walkman.
Met Gem wandelde ik ‘s avonds rondjes door de uitgestorven badplaats. Ik vond de jongens daar eng. Ze waren Frans en ze maakte grapjes die ik niet kon verstaan. Gem vond alles even interessant, ze rookte stiekem, en nam de biertjes aan die ze haar aanboden, iets dat ik toen met mijn dertien jaar vreselijk eng vond.
Ik vertrouwde het allemaal niet.
Ik wachtte op de hoek, ik keek naar de zee en naar hoe Gem aan het geinen en het zoenen was met de jongens.
In het huisje zetten we dan allebei onze walkman op.
Ik luisterde The Lemonheads. Steeds opnieuw en opnieuw en opnieuw en als je ondertussen een week samen bent dan hou je steeds meer op met beleefd te zijn, en dus had ik de hele terugreis mijn walkman op.
Veertien uur lang, de hele terugreis naar huis, alleen maar The Lemonheads.
It’s a Shame about Ray en Come on Feel the Lemonheads en ik dagdroomde al die uren dat ik en Evan Dando, dat ik en hij, en dan in die band en dat ik zong, dat ik Juliana Hatfield was, maar dan als mezelf en dan trouwen, in een kerk ergens in een veld in het bos met een witte jurk aan en voor eeuwig en altijd en altijd en altijd gelukkig. Zoals je denkt dat het gaat als je dertien bent. Enough about you. Let’s talk about me. If not about you. It’s not about sunshine. It’s about time.
In mijn herinnering zie ik Gem helemaal niet meer in de auto tijdens de terugreis. Ik zie alleen het landschap voorbij schieten en hoor alleen Evan Dando zingen. Ik was heel erg gelukkig tijdens die rit. Je kunt prima in je hoofd leven, dat wist ik zelfs op mijn dertiende al.

Inkomende sms, vandaag, van d’n Lee, om 8u23:
Hannie, Evan Dando komt naar Merleyn zie ik net.

We zijn ondertussen meer dan drieëntwintig jaar verder. Ik heb vrienden die jonger zijn dan dat. Ik draai weer eventjes The Lemonheads voordat ik mijn dochter ga ophalen van het kinderdagverblijf en ik denk aan Gem, die dit jaar twintig jaar dood is.
En het is niet dat ik oud word, al zeg ik dat vaak voor de grap, maar ik meen dat helemaal niet, het gaat er alleen om dat alle herinneringen, al die keren dat deze ogen landschappen zagen en dat deze oren muziek luisterden en dat liedjes en herinneringen en een flits, als een foto, van wat er toen te zien was, in die veertien uur terug naar huis, eindelijk naar huis, dat die zaken goeie vrienden worden. Goeie vrienden die alleen maar in de laatjes in je geheugen zitten, gezellig bij elkaar, maar toch afgescheiden van alles wat me hier in het echte leven vergezelt.

Dus ik heb zojuist maar een kaartje gekocht.
En even naar de wolken geknikt, naar Gem, die daar vast met een walkman op zit te paffen.