pexels-photo-796605

Dinsdaag

Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober, ober ?
Det alles heej zoë op ziene kop geit staon, ober waat hesse gedoan ?
Woar kûmp det grei vandan ? Doar lös ik waal suupke van !
Waat hes-ste ôs toch in det glaas gedaon, ober waat hesse gedoan ?

D’n ober, 1953/1954
Tekst: Frans Boermans – muziek: Thuur Luxembourg

pexels-photo-796605

Maondaag

Er is een aantal zaken die je niet moet doen tijdens de vasteloavend.
En wel:
1. Te weinig laagjes kleding
2. Te veel of te weinig eten
3. Denken: ik ga heel even thuis op de bank zitten.

1.
“Ik ben een boa verloren,” zei ik, terwijl we naar de optocht stonden te kijken. “Koud.”
Je moet niet onderschatten hoe warm zo’n laag veren is. De zon scheen, maar wij stonden aan de schaduwkant van de straat. We hadden een etalage met een afdak, wat weer handig was bij de korte hagelbuien. Het begon me langzaamaan te dagen. Ik had een vest te weinig aangetrokken. Ik zag ‘m gewoon hangen, bij ‘t Mannetje thuis over de stoel. Maar tijdens het aankleden had ik het warm. Trap op, trap af, paniek toen ik een theelepel aan wimperlijm op mijn echte wimpers liet vallen.
Dan maar dansen.
Joekskappelen, mooie wagens, mooie tractors die ze trokken. Grote groepen in mooie pekskes, kleine kindjes in pekskes in bolderwagens.
Ondertussen kropen de kleintjes die bij ons hoorden steeds verder weg in een hoekje. Eentje zat te knikkebollen. De ander kroop de buggy in en viel in slaap, hoe hard de muziek die voorbij kwam ook stond.
Bij wagen 50 ging de helft van de goegemeente met de kindjes naar De Klep.
Wij bleven nog even wachten, want ‘t Mannetje was een vervanger bij de raad. We moesten toch even zwaaien.
Totaal verkleumd belandde ik uiteindelijk ook in De Klep.

Bij De Klep trok een vrouw haar bontjas uit, waaronder weer een bontjas verscheen.
“Kan ik er niet eentje kopen?” zei ik.
“Nae,” zei de vrouw.
“Jammer,” zei ik.
De vrouw haalde haar schouders op en klopte op mijn rug.
“Morgen is het boerenbruiloft,” zei ze.
Ik knikte.

2.
“Kunnen we niet nu al gaan eten?” zei de man. “Saté ofzo? Ergens.”
“O,” zei ik. “Ik weet nog wel iets.”
We liepen naar Hemingway, daar waar ik in 1998 voor het eerst in mijn leven achter de bar ging staan. We stapten naar binnen en de eerste twee personen die ik zag achter de bar waren de enige twee mensen die er nu nog werken die er toen ook al waren.
“Hoera!” riepen we allemaal.
We aten saté, ik zwaaide naar de jongens van vroeger aan tafel 11.
We dronken bier.
We praatten over vroeger.
Op de wc liep ik het herentoilet op. Die bleken omgewisseld.
Twintig jaar.

Daarna wandelden we weer van kroeg naar kroeg.
In De Loco zat het toilet nog op de zelfde plek en vertelde ik aan de man dat ik daar dan ook zo stond toen ik op de middelbare school zat. Op zoek naar degene op wie ik dan dat jaar weer verliefd was. Aan de bar waren ze bezig om met een stoomstrijkijzer zonder kabel over de toog tien meter verderop een rij plastic bekers om te gooien. Ik moest ook een keer. Het was niet echt een keus. De barman verderop zette net zes bier op de bar en een jongen kon nog net met blote handen het strijkijzer tegenhouden. Mocht hij iets aan zijn hand hebben overgehouden: sorry.
Ik was als herfsttafereel verkleed dus ik heb hem getroost met een piepschuimen eikel.
Was alles maar zo simpel.
“Wao gaon we haer?”
We gingen naar de Baek.

3.
De Baek was vol.
“Anders héél even naar huis,” zei ik. “Mijn vest halen?”
Dat was immers vlakbij.

Thuis troffen we ‘t Mannetje ineengedoken op de bank aan.
“Ik heb het zo koud,” zei hij. “Ik heb zes uur op die wagen gestaan in de wind. Daarna werden in de Maaspoort alleen mijn oren heel heet en dat was het.”
“Och jongen toch,” zei ik.
“Wat heb je gegeten?” zei de man.
“Niks,” zei ‘t Mannetje.
Ik besloot om broodjes voor hem te gratineren.
We ploften op de bank.
Héél even zitten.
Héél maar.
Buiten liep een joekskapel voorbij.
De fluitketel floot.
Op de televisie vertelde Oscar van den Boogaard dat Prins Bernhard zijn vader was.
Ik zette mijn hoedje af.
De batterij van mijn lampjes was leeg.

4.
Vandaag is het dinsdag.
Ik heb heerlijk geslapen.
Buiten is het krakend koud, maar ik heb mijn konijnenbonten jasje.
Dinsdag.
Mijn lievelingsdag.

pexels-photo-796605

Zondaag

De vriendin waarmee ik al 33 jaar (drie keer elf, joeksig!) mee bevriend ben, moest een paar seconden kijken voordat ze me herkende. Ik had een zwarte pruik met lampjes op en een goud geschminkt gezicht met een scheve krul in het paars hier en daar. Naast haar zat iemand met een prachtig geschilderd gezicht.
“Dit is de allereerste keer dat ik ooit iets heb geschminkt,” zei ik tegen de buurvrouw van mijn vriendin.
“Morgen gewoon alles goud en alleen nepwimpers,” zei ze.
Zeven zinnen laten hadden we het over de invloed van het brein op het lijf en het leven. Om ons heen aten mensen blokjes kaas en werd er bier gedronken, deinde de massa op en neer. Daarna gingen we weer verder: de man, ‘t Mannetje en ik.

Een half uur later stonden we in de Maaspoort. Op het podium speelde een saxofonist de sterren van de hemel, zong een man nieuwe versies van ouwe liedjes. Er stonden kinderen tussen de bandleden die dansten of rondkeken met in hun hand een koek of een zakje chips. Naast de saxofonist stonden twee kleine jongens met serieuze snoetjes de zaal in te kijken en mee te zingen. Volgens ‘t Mannetje is de Maaspoort zo gebouwd dat met de vastelaovend ze zaal zo omgegooid kan worden dat de bühne voor het publiek is en het publieksgedeelte voor de band. Wij waren ondertussen alweer halverwege onze bonnen. Voor me stond een oude mevrouw met een witte suikerspin en een witte bontjas. Ik zag mensen die twintig jaar geleden achter de bar van mijn stamkroeg in Venlo stonden, toen ik nog ieder weekend terug naar mijn ouders ging en dan thee dronk aan de bar voordat ik de bus naar het dorp pakte. Ik voelde me toen al een hele wereldreiziger. Nu logeerde mijn kind bij mijn ouders en keek ik naar de dansende kindjes tussen de muzikanten. En wie weet sta ik er over twintig jaar wel weer en dan denk ik aan toen ik daar stond met die kindjes en dat ik nog maar zo pas moeder was en dat ik dacht dat ik al een hele dame was, met mijn koophuis en auto en dagopvang en werk en belastingaangiften, de invloed van mijn brein op het nu.
Maar nu was de zondaag. En dat scheelde.

Een flits later stonden we buiten en was ‘t Mannetje aan het schmoozen met de mannen met de lange pluimen op hun muts en belanden de man en ik in de kroeg ernaast waar weer muzikanten aan het spelen waren alsof de wereld elk moment kon vergaan. Ik zwaaide naar iemand van de boekhandel en iemand die de zus is van iemand die ik ooit kende. Ze herkenden me niet, maar zwaaiden toch maar terug. Ooit ging iemand in mijn stamkroeg in Venlo elk jaar verkleed als Poolse boerin, ik hoorde pas dat hij dood is gegaan. De zaal deinde uit en kromp weer, met elke zin, met elke ademhaling, zoals soms op feestjes, als iedereen in de te kleine keuken is gaan staan. Buiten was het plein leeg. ‘t Mannetje schoof weer aan. We zongen alle liedjes.
We deelden kruidenbitter uit een platvink met de mensen naast ons.

De man en ik eindigden in D’n Gaaspiep, want ik wil altijd naar D’n Gaaspiep. Waar ‘t Mannetje was gebleven dat weet ik niet meer. We gingen binnen op een bankje zitten en keken naar de oude dames die dansten. Af en toe kwam er eentje voor ons staan en dan zongen we de teksten naar elkaar toe.

Zo kun je in een dag je leven aan je voorbij zien schieten en je hoeft er nog niet eens dood voor te gaan.

Nu zit ik op de bank, bij ‘t Mannetje die al de stad in is omdat hij op de wagen van de prins moet staan in zijn mooie pak. De man en ik zitten nog in trainingspak. Op de televisie schiet een vrouw alle gaten dicht.
Op Facebook vraagt Lean waar ik ben.
“Nog nurges,” antwoord ik.
Ik ga me maar weer eens in kostuum hijsen.

Het is alweer maandag.

bar

Observaties van een barvrouw

Het stel aan de bar haat de wereld. Of ja, de man kan ik door de tap niet goed zien, maar zijn mevrouw haat de wereld zeer zeker. Ze is nog niet eens zou oud, ze is netjes gekleed, blond, met nette rustige make-up en met mondhoeken die diep naar beneden hangen. Het lijkt bijna of ze er moeite voor moet doen om ze zo laag te krijgen. Elk normaal mens zou moeite moeten doen om die mondhoeken zo laag te krijgen.
Misschien heeft ze dit gezicht getrokken toen de klok twaalf uur sloeg, bedenk ik.
Ze heeft haar gedrag er in elk geval op aangepast.
Als de groep aan het tafeltje meteen achter hen in luid gelach uitbarst, draait de vrouw met die omlaaggetrokken mondhoeken zich om en bekijkt ze met een paar korte op en neer bewegingen van haar hoofd het meisje dat het dichtst bij hen zit.
Als ze wegkijkt snuift ze.
Ik kan door de herrie steeds net niet verstaan wat ze zeggen, maar de vrouw is het meest aan het woord. De man hoor ik alleen maar af en toe soort van instemmend mompelen. Ze is het ergens niet mee eens, haalt een stuk papier uit haar tas en wijst erop met een perfect gemanicuurde vingernagel. De mondhoeken blijven naar beneden.

Ik hoor haar het woord “rekening” noemen, nog voordat haar man halverwege zijn biertje is. Haar witte wijntje heeft ze al op, wat me best lastig lijkt met zulke omlaag getrokken mondhoeken. De man klokt haastig zijn Koninkje naar binnen, terwijl zijn vrouw de jas al aan heeft. Met een licht geërgerde blik wacht ze tot haar man zijn jas heeft aangetrokken. Dat gaat door de haast een beetje stuntelig. Hij rekent af. Een bleke grijze man. Met eerder een treurige dan een geërgerde blik.
De blik van iemand die vele jaren geleden heeft besloten om gewoon niet meer deel te nemen.
De vrouw loopt alvast naar de deur.
Ze haat de wereld.
Ze lust waarschijnlijk niet eens witte wijn.
De man struikelt een beetje over een kruk.
Ze kijkt niet om.
De man wel.
Ik knik hem toe.
Voor eeuwig op weg naar slachtbank, denk ik.
Tevreden drink ik mijn kouwe thee op.
We hebben het maar goed.

pexels-photo-796605

Venlonaren dansen geen polonaise

Het is midden op vastelaovesmaandag als mijn vader ontwaakt uit zijn narcose en een delier krijgt. Ik sta buiten in een steeg met een plastic beker brand in mijn hand en mijn mobiel aan mijn oor. Binnen in de kroeg klinkt een joekskapel. Er wordt gezongen. Ik kijk de straat in. Het is nog licht.
“Hij wil steeds uit bed en dat mag niet,” zegt mijn moeder aan de andere kant van de lijn. “En ze kunnen ook niet iemand van de verpleging de hele nacht naast zijn bed zetten.”
“Nee,” zeg ik.
Mijn ogen voelen zwaar. Overal klinkt muziek en gezang en ergens hoor ik kerkklokken slaan. Terwijl mijn moeder praat, kijk ik op mijn telefoon. Het is half vijf.  Als ik de telefoon weer aan mijn oor houd, zegt mijn moeder: “Han? Han?”
“Ja?” zeg ik. Normaal kan ik haar op bed leggen en een hele wasmand was ophangen zonder dat ze het merkt. Mijn moeder vraagt nooit iets. Nooit gedaan. Behalve vandaag.  Mijn moeder zegt dat ik mijn broers moet zoeken en dat we naar het ziekenhuis moeten komen.

Na drie kroegen heb ik mijn broers gevonden. Ik ga niet meer zo vaak terug naar Venlo, voor de vastelaovend, ik kan er niet meer zo goed tegen als vroeger, al die dagen zoveel zuipen. Ik word er ziek van.  Mijn broers hangen aan de bar van De Klep en zijn verkleed als Fidel Castro en Prins Willem Alexander.
“We moeten naar het ziekenhuis,” zeg ik, terwijl ik mijn telefoon omhoog hou, alsof dat iets betekent, die telefoon. Ik heb een goedkoop zigeunerachtig pak aan waar ik me eigenlijk voor schaam, buiten frommel ik een sigaret uit een geplet pakje Belinda. Yolante Cabau van Kasbergen, had ik mezelf maar gedoopt. Maar ik zag er eerder uit als een vergeten popster uit de jaren tachtig die madonna na probeert te doen. We lenen een fiets en met z’n drieën rijden we op één fiets de Tegelseweg in, de stad uit, op weg naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is het een drama op de kamer van mijn vader. Mijn moeder houdt hem vast, samen met een verpleegster, maar mijn vader is sterk en mijn moeder al in de zeventig. Mijn moeder laat los als ze ons ziet, ze begint te huilen en zet een stap naar achter. Ik word altijd boos als mijn moeder huilt, ik weet niet hoe dat kan. De verpleegster roept dat we het over moeten. We pakken hem vast. Fidel Castro, Willem Alexander en Yolanthe Cabau van Kasbergen houden mijn vader in een houdgreep. Mijn broers hebben zijn armen en zijn benen en ik leg een hand in zijn warme nek, die nat van het zweet is. Mijn vader is een man die nooit veel zegt, die zich nooit verzet heeft en ergens achterin mijn hoofd, ergens achter diegene die hier aan het handelen is, die haar vader probeert te kalmeren, verbaas ik me erover dat deze man zo op mijn vader lijkt, maar zo totaal anders doet dan mijn vader. Het lijkt of na al die jaren, dat hele leven stilte, ineens alles eruit wil. Hij schreeuwt, brult en alles aan hem slaat en schopt met alles wat hij in zich heeft.  Dan komt er iemand binnen die iets in zijn infuus spuit. Mijn vader valt in slaap. Ik kan me niet meer herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Mijn vader is geen knuffelaar.

“Jij hoeft hier niet te blijven slapen,” zegt mijn oudste broer tegen mijn moeder. “Wij doen het wel.”
Ik kijk mijn broer aan. Ik wil helemaal niet in het ziekenhuis slapen.
“Ja,” zeg ik.
Ik vraag ook nooit iets. Nooit gedaan ook.
“Ga maar,” zeg ik.
Mijn moeder pakt haar tas en we krijgen allemaal een kus.
“Hij lijkt op jou, als je dronken bent,” zegt mijn ene broer tegen mijn andere broer als mijn moeder weg is.
“Inderdaad,” zegt mijn andere broer.
Op de kamer hangen ballonnen. We kijken televisie en om de beurt gaan we een sigaretje roken. Over de gang rollen karretjes, alles ruikt zoals je verwacht dat het ruikt in een ziekenhuis. Ik denk aan mijn dode tantes, aan sommige vriendinnen, aan iedereen die hier lag, aan iedereen die hier huilde. Ik ga naast mijn broer in het bed naast mijn vader liggen. Op de tv loopt een vrouw met een geweer door een steeg, de carnavalszender hebben we afgezet. Mijn pruik hangt aan de kapstok. Ik val in slaap.

Mijn vader rent als een dronkenman de gang over en mijn oudste broer heeft hem bijna. Hij heeft een punt van mijn vaders ziekenhuisjurk al vast. Ik ren er achteraan om de infuusstok overeind te houden, die hij achter zich aan sleept. De standaard krast over het linoleum. Achter me hoor ik mijn andere broer uitglijden, ik voel zijn handen zich nog vastgrijpen aan mijn kuiten.
We lijken wel een kroeg in polonaise, maar venlonaren dansen geen polonaise.
Al worstelend krijgen we mijn vader terug naar de ziekenhuiskamer. Zijn katheter is losgesloten en overal ligt bloed. Mijn vader slaat me. We wachten op de verpleging. Ik leg mijn wang tegen zijn warme hoofd, zijn schokkende hoofd, het ruikt naar een oud mannetje. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit zo stevig heb vastgehouden. Ik duw mijn wang strak tegen hem aan, bij zijn oor en ik wieg hem, zo goed en kwaad als het kan en ik zing mijn lievelings vastelaovendsliedjes.
Ik zing: Dich maks de kachel met mich aan Marieke, waat ofste van mich dinks det luut mich kalt, me kan de roëze neet verbeeje det ze bleuje en auk mien hert neet det ik raozend van dich halt.
En dan, als laatst: Zoë is ‘t laeve, waat kan ‘t gaeve. We doon maar allemaol wat water beej de wién. Op idder paedje ein roéze-blaedje en nao `t straevele ein bietje zônneschien.
Mijn vader valt in slaap. Hij heeft nooit veel om vastelaovend gegeven.

Ik word wakker omdat een verpleegkundige de ontbijtkar naar binnenrolt.
“Wat wil hij drinken?” Vraagt de verpleegster.
“Ik denk chocomel,” zeg ik.
Ik weet dat nog van vroeger, dat hij graag chocomel dronk. Ineens moet ik huilen, alleen omdat ik aan die chocomel van vroeger denk. De verpleegkundige geeft me een klopje op mijn schouder.
Ik smeer de boterhammen. Ik zet een rietje in de chocomel. Ik voer mijn vader kleine stukjes boterhammen met kaas en af en toe duw ik het rietje tussen zijn lippen. Hij heeft honger. Hij eet gretig.
Honger is goed, denk ik.
“Lekker,” zegt mijn vader.
Hij is er wel, maar hij is er niet, denk ik en voor het eerst in mijn leven voel ik me op mijn gemak bij mijn vader. Want euver hônderd jaor, jao jao des iérlik waor, dan bisse deeze tiéd, veur altiéd kwiét, zing ik, dicht bij zijn oor, ik zie de stugge rode haren die uit zijn oor steken. Mijn vader grijpt met zijn hand in de lucht en pakt dan mijn pols. Hij zegt niets. Hij knijpt alleen maar. Ik leg mijn hand op zijn hand en zo zitten we daar.
Als mijn broers wakker worden, steek ik een duim op.
“Is het allemaal goed?” vraagt mijn oudste broer.
Ik knik.
Ik zeg: het is allemaal goed.
Het is allemaal goed.

pexels-photo-297954

OP VAKANTIE ZIJN IS OOK NIET ALTIJD GEMAKKELIJK

~een afgeluisterd gesprek~

Personages

ALBERT                                   52 jaar, accountant
CATHERINE                            50 jaar, administratief medewerker

Locatie
Aan de ene en de andere kant van de gesloten toiletdeur in op een winderige camping van Staatsbosbeheer

***

ALBERT
Schat? Zit je daar?

Stilte.

ALBERT
Zeg eens wat.
Wat is er met je?

Stilte.
En nog een stilte.
Een hele lange stilte.
Albert zucht.

CATHERINE
Nou.
Gewoon.

ALBERT
Wat gewoon?

CATHERINE
Nou.
Gewoon.
Ik zag je ineens je lijstje afvinken.

ALBERT
Wat nou je zag me ineens mijn lijstje afvinken?
Lieverd.
Je gaat me nou toch niet vertellen dat we het over “het afvinken” gaan hebben.

Stilte.

CATHERINE
Maakte jij nou aanhalingstekens met je vingers?

ALBERT
Nee, natuurlijk niet.
Als jij dat soms denkt.

CATHERINE
Jij maakt altijd aanhalingstekens met je vinger.
Ik hoor dat heus wel.
“Het afvinken.”
Het zit in je stem.
Die aanhalingstekens.

Stilte.

ALBERT
Nou, kom je nou nog van de wc af?

CATHERINE
Ik zit hier prima.

ALBERT
Dan kunnen we weer verder met ons plan.

CATHERINE
Ik word daar zo moe van.
Iedere ochtend zit jij daar bij die camper met je gele marker.
Slappe zak.

ALBERT
Waar komt dit nu ineens vandaan?

CATHERINE
Gewoon.

ALBERT
Gewoon.
En dat zeg je nu.
Nu pas.
Het is twee uur.
We zitten godverdomme al vijf uur op de fiets.
Kom je nu mee.
(doet een gek stemmetje) “Afvinken.”

Stilte.

ALBERT
Lieverd?

Stilte.

ALBERT
Hallo?
Katrientje?
Ben je daar nog?

CATHERINE
Je vraagt nooit wat ik wil.

ALBERT (zucht)
Nou.
Wat wil je dan?

Stilte.

ALBERT
Wat wil je dan?
Katrientje?
Lieverd?
Zeg het eens.

Stilte.

CATHERINE
IK WIL GEWOON ZUIPEN!
IK HEB HET GEHAD MET DAT GEFIETS!
IK WIL NIET MEER FIETSEN!
IK WIL IN DIE VIEZE KROEG ZITTEN MET EEN METER BIER, OP SCHOOT BIJ DIE VIEZE BARMAN, DAT WIL IK!
DAT WIL IK!
DAT WIHIL IHIK!

Stilte.

CATHERINE
Ik wil ook eens een keer de haren losgooien.
In m’n blote kont in de regen dansen.
Al deze Beversportwinkelklotekleren wegflikkeren en een gebatikte jurk aantrekken. Weet je wel, die dingen die jij zo lelijk vindt. En m’n BH in de fik steken. Dat wil ik. Met je gele klotemarker. Weet je wat jij kan? Met die gele klote marker van je? Weet je wat jij daarmee kan? Albert? Weet wat je kunt doen met dat ding iedere ochtend om acht uur? Nou? Nou?

Stilte.

CATHERINE
Nou?

Stilte.

CATHERINE
Nou?
Albert?
Ben je daar nog?
Albert?
Lieverd?


De wc-deur gaat open.
Albert is weg.

We zien hem nog net wegfietsen met de fiets met fietstassen.

pexels-photo

Koffie verkeerd

“Een latte doppio,” zeg ik bij de pastatent op het station waar ik altijd mijn koffie haal. Tenminste, sinds Dennis Gaens vijf jaar geleden zei dat daar de koffie het best was.
Of: meest goed, zoals iedereen tegenwoordig lijkt te zeggen.
Bah.
“Een café latte of een latte machiato?” zegt de jongen achter de balie.
Ik heb net vijftien kilometer gefietst. Het waaide flink en het hagelde af en toe en ik luisterde de podcast Alice isn’t dead. Dus ik kan niet heel goed nadenken.
“Euhm, hè?” zeg ik. “Ik bestel al jaren gewoon een latte doppio. Hier. Aan de balie.”
Mijn mp3-speler valt op de grond. Als ik weer overeindkom na het oprapen hoor ik naast me:
“Een machiato is met minder melk. Een café latte met meer.”
Volgens mij is het andersom. Betekent machiato melk met een vlekje koffie. Maar ik kan het verkeerd hebben. De man spreekt met een kak-accent en veel valse lucht. Ik kijk naar de man. Hij heeft oude geweven en gebatikte kleren aan. Ik ken zijn soort. Van die mensen die het vervelend vinden dat ze met heel veel geld zijn opgegroeid, en zich daarom zijn gaan kleden alsof ze dat niet zijn. Terwijl ze altijd veel geld zijn blijven hebben, omdat ze het steeds zijn blijven aannemen. Van ouders, van echtgenoten. Ik kwam ze vroeger al zo af en toe tegen, in Venlo toen ik daar in het eetcafé werkte. Het waren er niet veel, maar je had ze wel. In Nijmegen zijn ze er in overvloed. Ze zijn simpel te ontmaskeren, want ze verraden zichzelf altijd. Je kunt nu eenmaal niet onder je afkomst uit. Helaas. In het dorp heb ik ze nog niet ontmoet. Daar loopt iedereen in een bodywarmer en bontlaarzen. Je zwaait als je iemand op straat tegenkomt. Dat is helemaal niet veel werk.
Ik heb nog steeds gewoon vijftien kilometer gefietst.
Ik voel dat er damp uit mijn kraag omhoog slaat.
“Gewoon wat jullie altijd doen als iemand een latte doppio besteld,” zeg ik verward tegen de jongen.
“Is echt een heel verschil, hoor,” zegt de man.
Hij lacht schamper.
“Je kunt ze eigenlijk niet met elkaar vergelijken,” zegt hij.
Ik antwoord niet. Hij vroeg immers niks.
“Ik weet het al,” zegt de jongen. “Een latte machiato.”
“Ja, of bemoei ik me er nu mee?” zegt de man.
Ik zucht. Ik zeg niet dat ik zelf ooit een baristadiploma had, dat ligt nu ergens in een kast te verstoffen. Ik heb nooit goed figuurtjes kunnen maken in het melkschuim. Ik weet wél dat ik voor hem per ongeluk een kleine lul met grote ballen had gecreëerd. Of het nu linksom of rechtsom was. Maar ik zet geen koffie meer voor andere mensen. Ja, voor visite. Dat is bijna hetzelfde als in de kroeg, maar toch anders.
Ik denk aan de buurtsuper in het dorp, die na de feestdagen geen groentetaarten meer verkoopt. Die niet over de kop gaat als ieder huishouden in het dorp er wekelijks vijftien euro uitgeeft. We gaan er dus iedere week heen. Voor sap van appels uit het dorp, boerenkool, een potje van dit en een potje van dat, en nu dus niet meer voor de groentetaart.
“Als jij je daar beter bij voelt,” zeg ik. “Dan bemoei jij je er lekker mee.”
“O ja, nee,” zegt de gebatikte kakman.
Er valt een lange stilte.
Ik zeg niks meer.
Ik krijg mijn koffie.
Al dampend neem ik de eerste slok.
Ik zwaai naar de jongen en niet naar de man.
In de trein dampt alleen de koffie nog. De koffie is goed.
Precies zoals ze ‘m altijd voor me maken.

winkelwagens

De trolleyrace

We horen de geluiden van een sportevenement. Joelende mensen, gesnuif en gehijg, geblieb van portofoons. Er hangt spanning in de lucht. Een wedstrijd die bijna gaat beginnen.

COMMENTATORSTEM
En de spanning is te snijden rond de start. Nu zal het er om gaan spannen na een druk en bewogen seizoen en over enkele minuten zal dan eindelijk de jaarlijkse en dit jaar kei-har-de wedstrijd zijn hoogtepunt bereiken.
De baan is vanochtend door de experts nog een laatste maal gecheckt en nu staat het bom-me-tje vol langs het parcours door het dorpspark van Abbegaasterketting.
Wedstrijd der wedstrijden.
De scheiding van het kaf en het koren.
De strijd der Titanen.
Of moet ik Titanettes zeggen?
De dames hebben zich warm gelopen en na wat rek- en strekoefeningen nemen ze nu dan eindelijk plaats in de startblokken.
(Er klinken voeten over het gravel, het gesnuif wordt luider, coaches schreeuwen nog laatste aanwijzingen.)
Hun gezichten verbeten van de spanning. Dit is pure concentratie, dames en heren. Topsport in zijn puurste vorm. José van de Pasch heeft haar  startpositie ingenomen en ook Annie van de Laar lijkt nu er helemaal klaar voor te zijn . Van de Laar geeft een kusje op het medaillon met een haarlokje van haar dochtertje, haar talisman die ze altijd om haar nek heeft hangen en die haar dit seizoen nog geen windeieren heeft gelegd. De laatste wedstrijd, het hoogtepunt, hier, nu in Abbegaasterketting.
En wat is het een seizoen geweest, mensen, wat een seizoen. Een laatste sjor aan de winkelkarretjes en dan…
(Stilte, gevolgd door een luide knal.)
Het startschot!
(Ratelende wielen van winkelwagentjes over een parcours vol gravel.)
En Annie van de Laar gaat meteen aan kop!
Vaak al de gedoodverfde winnaar genoemd!
En wat gáát ze hard met die winkelwagen, dames en heren.
Maar ze is dan ook een expert op het gebied van gravel.
Een paar meter achter haar hijgt de hete draadjesvlees met jus-adem van José van de Pasch in de nek van Van de Laar.
Oh! Van de Pasch valt bijna, maar weet zich nog net overeind te houden aan haar winkelwagen. Of moet ik eigenlijk trolley zeggen, zoals de dames het zelf tegenwoordig prefereren.
Er gaat een golf van opwinding door het publiek dat leuzen scandeert vanaf de zijlijn.
Van de Pasch heeft toch nog een verbazingwekkende snelheid weten te behalen, bedenkende dat ze eigenlijk pas net hersteld is van een zware blessure aan haar knieën. Ze komt met haar voorwieltjes akelig dicht bij de voeten van Van de Laar.
Wat een kracht heeft deze vrouw, wat een souplesse.
Bij haar laatste training wist Van de Pasch me te vertellen dat haar voorliefde voor een glanzend parket haar kansen op het kampioenschap danig had doen slinken, maar dat ze alles op alles had gezet om haar eeuwige rivaal te verslaan.
Mensen, gaat het haar lukken?
(Harder gejuich.)
Abbegaasterkettingers langs de kant kunnen de spanning nauwelijks aan.
En uw commentator zit op dit moment ook op het puntje van zijn stoel hoor, dames en heren.
De eerste lastige bochten zijn met glans doorstaan en nu denderen de dames met hun roestvrij stalen trolleys verder over het gravelparcours, met in de verte al de eindstreep in zicht.
O!
(Gegil en geschreeuw.)
Van de Laar kijkt om! En schampt met de zijkant een hooibaal!
En dat zo vlak voor de finish!
Maar ze herstelt zich, en nog steeds op kop is ze toch een half metertje bij gehaald door van de Pasch.
Nieuwsgierig Aagje, die Annie!
Nieuwsgierig Aagje!
(Lacht luid.)
De dames zijn ondertussen met de fíets niet eens meer bij te houden.
Verbeten trekken rond hun mond.
Maar o!
Wat nu?
Annie van de Laar spuugt!
En José van de Pasch krijgt de klodder in haar oog!
Met nog maar één oog om mee te zien wordt de strijd nu echt heel grimmig.
En Van de Pasch zet nu een extra tandje bij!
Nog maar tientallen meters.
Maar!
Wat nu!
Nee!
Haal dat kind daar weg!
Haal dat kind!
Nee!
O!
Annie van de Laar kijkt weer om!
Nee!
Niet omkijken!
Haal dat kind weg!
Dames en heren!
Annie van de Laars dochtertje is zojuist vlak voor de finish het parcours komen opgelopen!
O! Annie!
(Luid gegil van het publiek. Paniek.)
Met een bosje bloempjes in haar handjes!
Annie’s grote trolley blokkeert het zicht op dat kleine kleine meisje!
Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee!
(Stilte. Fluistert.)
Een doodse stilte.
Alleen het geluid van van de Pasch’s winkelwagenwielen over het parcours.
José van de Pasch breekt het lint bij de finish.
(Stilte.)
Mensen.
We hebben een winnaar.
(Zucht.)
We hebben een winnaar.
 

bar

Het vierde drankje

Op een maandagmiddag tijdens de markt, zaten aan een tafel achterin de kroeg drie dames van tegen de zestig. Voor hen op tafel stonden drie biertjes en een glas port en achter hen scheen een flets zonnetje door het glas-in-loodraam. Ze leken in ouwe documentaire te zitten, zo eentje in zwart-wit met een polygoonstem als voice-over. Het portje was onaangeraakt en stond voor de enige lege stoel aan de tafel. De biertjes werden in rap tempo gebodemd en toen de laatste haar lege glas neerzette, stak meteen de eerste die haar lege glas had neergezet drie vingers naar de barman op.
“Is de portdrinker te laat?” vroeg ik, toen de barman weer achter de bar stond.
“Nee,” zei hij. “Ze kwamen hier vroeger altijd met z’n vieren, iedere zaterdag en dan bestelden ze bij elk rondje drie bier en een portje. Maar op een dag was de portdrinker dood, en nu bestellen ze nog altijd haar drankje voor haar. Iedere maandag.”
“Wat mooi,” zei ik.
Het is even stil.
“Ach,” zei de barman. “Volgens mij lusten ze gewoon geen port. Als één van de drie bierdrinkers de pijp was uitgegaan, dan had dat ene fluitje het heus niet tot het einde van hun borrel gehaald. Als je dat maar weet.”
Toen de dames waren vertrokken gooide de barman het glas port leeg in de gootsteen.
“Zonde,” zei ik.
“Ach,” zei de barman. “Wil je nog een thee?”
“Nee,” zei ik. “Doe maar een portje.”
De barman keek met een vleugje treurnis naar de rode plas in de gootsteen.
“Die symboliek die mensen altijd zoeken,” verzuchtte hij. “Ik zal dat nooit begrijpen. Je mag er eentje, zolang je ‘m maar opdrinkt.”
Ik proostte op de vierde dame en dronk in mijn eentje tergend langzaam het portje. De barman schudde zijn hoofd. Het was een middag welbesteed.