Koek

“Het wordt een hele mooie dag vandaag,” zeg ik.
Het meisje kijkt naar buiten. Het regent pijpestelen.
“Ja,” zegt ze.
Ik vlecht haar haren. Ze zucht en kijkt met een schuine blik naar de regenwolken.
“Zullen we met de bus?”
“Nee,” zegt ze, “de fiets. En ik wil voorop. Op de stang.”
“Echt niet met de bus?”
“Nat worden past wel bij zoiets als straks.”
Ze heeft haar mooiste jurk aan.
“Nu zal ik hier wel vaker komen.”
“Nog vaker.”
“Ben ik alleen met papa.”
“Ja ja ja,” zeg ik snel.
Ik wil het er niet over hebben.
Ze fluit een liedje.
Ze zucht.
“Het wordt heel mooi,” zegt ze.
“Ja,” zeg ik strijdvaardig. Ik bedenk me of we nog de gevulde koeken uit de trommel mee moeten.
“Is er cake?” vraag ik.
“Weet ik niet.”

Ik steek de koeken in een folietje in mijn tas.
Vroeger telde ik op begrafenissen altijd de stenen van de kerkmuur. Ik wilde niet dat er iemand moest huilen omdat ik moest huilen omdat ik zo’n klein blond meisje was en mensen willen een klein blond meisje niet zien huilen. Ik ook niet.
Ik hou van Limburgse koffietafels, dan verdween de brok met een hap suikerbrood met boter die ik uit een vloot haalde met boterkrullen. Dan dronk ik thee en zag ik hoe mijn ooms en tantes lachten en huilden. Een ander soort huilen dan in de kerk.

Ik zet haar achterop en fiets als een gek.
Tegenwind en ik denk helaas nu eenmaal altijd dat ik sneller kan fietsen dan dat ik eigenlijk kan.

Ik smijt mijn fiets in de heg en til het meisje op om de kerk in te rennen. De klokken luiden en bij de deur staat een meneer die me wenkt. In het gangpad zet ik haar neer en ik pak haar natte jas als ze naast haar vader vooraan gaat zitten.
De buurman van een paar deuren verderop zit grauw in de bank. Hij merkt niet dat ze naast hem is komen zitten. Een tante glimlacht naar me en trekt het meisje tegen zich aan.
Ik ga achter zitten, mime ik naar het meisje. Ze knikt.
Als ik naar achteren loop krijg ik van de meneer die bij de deur staat een handdoek.

De dienst is kort en de ballonnen die we na afloop los laten blijven voor het grootste gedeelte hangen in de populieren naast de kerk.

We krijgen cake en met een kopje koffie loop ik naar de buurman die net klaar is met handen schudden.
“Wil je dat ik haar straks weer even meeneem?” vraag ik.
De buurman kijkt me aan en zegt van graag.
“Ik breng haar na het eten terug. Jij moet zelf wel eten straks,” zeg ik. “Je kunt ook bij mij een bordje.” Ik ben maar stil.
“Ik ga zo naar bed,” zegt de buurman.
“Hij houdt van soep,” zegt de tante die met het meisje naast me is komen staan.
“Dat heeft ze dan van geen vreemde. Wil je soep?” vraag ik aan het meisje.
“Ik hoef geen soep,” zegt de buurman.
De tante legt een hand op mijn arm.
“We gaan maar zo,” zeg ik.
Niks aan hier voor een blaag.
“Ga je mee?”

Ik ruk mijn fiets uit de heg.
De regen klettert op haar capuchon.
“En dan gaan we wel film kijken.”
“Ja, leuk,” zegt ze.

Op de fiets zing ik heel hard voor haar.

Het wordt een hele mooie dag vandaag
De stoelen gaan naar buiten
En er hangen nieuwe slingers in de heg
Meneer Van Ouwenaar zet alle dingen recht
Hij fluit heel vals en zwaait naar de portier

Er is behoorlijk wat bezoek vandaag
Wespen op de appeltaart de koffie komt voorbij
Ik vind het best
Ik zou niet weten wie er jarig is, hoera
Of hoe het nou toch verder moet met mij

En de dag is kort, en de dag is lang
’s Avonds zijn er stemmen en een liedje op de gang
En ik doe precies wat de dokter zegt
Goed je groenten eten en niet te laat naar bed

“En ik vind alles best,” brult het meisje. “Ik hoop maar dat er roze koeken zijn!”
Ik denk aan de koeken in mijn tas.

Thuis zet ik haar op de bank met een dekentje en een beschuitje.
Het is toch een soort van ziek zijn.
Ik gooi de verkruimelde gevulde koeken in het folietje in de prullenbak en kruip naast haar op de bank.

Snotneus

De bel ging.
Ik schrok. Normaal klopt men op mijn raam. Ik vind het fijn als mensen op mijn raam kloppen.
Maar vandaag ging de bel.
Ik opende de deur. Niemand, maar ik voelde iets aan mijn rok. Ik keek omlaag.
Een klein blond meisje met twee staartjes en een duim in haar mond. Met haar andere hand had ze mijn rok vast.
“Hoe kom jij bij de bel?”, vroeg ik.
Ze bleef stil.
“Heitje voor een karweitje?”
Ze haalde haar duim uit haar mond.
“Wat is een heitje?”
“Dat is een soort kwartje.”
Althans, dat denk ik. Ik weet eigenlijk ook niet wat een heitje is.
“Wat is kwartje?”
“Wil je roosvicee?”, vroeg ik.
Ik hou helemaal niet van kinderen.
Ze knikte.
Ik zette haar op een keukenstoel en maakte een beker drinken voor haar. Ik hou niet van kinderen, maar ik hou van hoe ze dranken altijd gewoon drinken noemen.
“Waar is je moeder?”, vroeg ik.
“Ik blijf hier.”
“Pardon, lieverd. Dat gaat niet.”
“Ik was steeds aan het zoeken. Naar jou.”
“Nee hoor. Je gaat gewoon terug naar je moeder.”
“Weet je nog wat je zaterdagavond zei?”
“Ik zei wel meer zaterdagavond. Daar weet jij niks van.”
Snotneus. Ik hou niet van kinderen.
“Waarom jij zo graag tiept. Waarom jij zo graag pratende mensen tiept.”
“Drink je drinken.”
Ze dronk.
“En niet knoeien. Dat tafellaken komt net uit de was.”
Ze zuchtte.
“Je snapt het niet.”
“Ik snap het allemaal prima. Jij bent nog klein.”
“Je denkt dat het kan. Dat gesnap. Maar dat gaat niet. Echt niet.”
Ze nam een grote slok.
“Vandaar”, zei ze in haar beker.
“Vanwaar?”
“Jij denkt dat het een rekensommetje is. Dat tiepte je toch? Dat er een uitkomst kan. Als je maar goed rekent.”
“Jij bent een snotneus.”
Zo.
Het mag best wel eens gezegd worden. Die kleintjes worden steeds bij-de-handter.
“En jij kan niet rekenen. Jij hebt nooit kunnen rekenen. Bij juffrouw Maria al niet. Had je een onvoldoende voor tafeltjes. In je klas haalde niemand een onvoldoende. Ja, alleen Rob. Maar die was blijven zitten. En z’n vader was vrachtwagenchauffeur. Dan hoef je ook geen tafeltjes. Er hoeven geen tafeltjes in een vrachtwagen.”
Ik leunde mijn hoofd in mijn handen en keek naar haar.
“Wil je nog wat?”
“Je moet eens bij het begin beginnen. Bij mij. En mij drinken en eten geven.”
“Ik vraag je net of je nog wat wilt.”
“Voordat je de som kunt oplossen moet je eerst snappen hoe de cijfers heten.”
“Tellen.”
“Nee, eerst snappen voordat je gaat tellen. En niet alleen maar doen alsof naar de juf. Vandaar.”
“Wat heb jij grote neusgaten”, zei ik.
Ze had echt grote neusgaten voor zo’n klein hoofd.
“Kijk jij naar jezelf”, zei ze.
Nu ligt ze op mijn bank te slapen. Ik was haar al een beetje vergeten. Nu moet ik het er maar gewoon mee doen. En eens beginnen met de getallen in plaats van dat tellen en snappen de hele dag.
“Acht”, zeg ik “acht is mijn lievelings. Dat is een begin toch?”
Ze mummelt wat in haar slaap.
Snotneus.
Vooral met zulke grote neusgaten.