Brussel II

Uit mijn opschrijfboek:

Vandaag gaf ik en zwerfster en haar kind anderhalve euro, waarna ze me ongeveer honderd meter bleef achtervolgen. Ik verstond haar niet, maar ik kreeg het idee dat ze meer wilde.
Ze hief haar hand naar de hemel, de andere gebruikend om haar kind mee voort te sleuren.
Ze had haar mond vol gouden tanden.
Hoe kun jij gouden tanden betalen, dacht ik.

Hoe dan ook: het is niet mogelijk om over zulke dingen na te denken, of het zelfs op te schrijven, zonder decadent te zijn.
Het is decadent om een zwerfster, met of zonder baby, anderhalve euro te geven, terwijl een koffie zojuist bijna drie euro kostte.
Ik kijk er naar en ik geef niets of een schijntje. Ik loop voorbij slapende mensen op kartonnen dozen die ik bekijk of die ik opzettelijk niet bekijk.
Ik denk dan och arme, och junkie, och onderdrukte, och viezerik.
Het is decadent om te bedenken dat een koffie meer kost dan een zwerfster.
Het is decadent te bedenken dat dat kind haar meer oplevert en ook dat er waarschijnlijk een man is die haar dat geld weer afneemt.
Het is altijd decadent, want ik zou er best eentje een paar dagen kunnen redden, ook al ben ik arm.
Ik zou ervoor kunnen zorgen dat er ergens iets gebeurt, al dan niet constructief, maar het enige wat ik doe is het hele principe interessant vinden. Uit het raam hangen en kijken naar de naar pisruikende zwerver voor de deur die Chimay Bleu uit flesjes drinkt.
Ik ga uit eten, ik koop chocola met zoute amandelen en ik slaap uit tot twaalf uur.
En ik vind mezelf arm.
En hen interessant.
Het is altijd decadent.