Bloody Nova Zembla

Geschreven tijdens en voor Into The Great Wide Open Festival te Vlieland

“Han?”
“Hmmm?” zeg ik.
Het is nacht, het is bijna stil op Stortemelk: alleen de zee en in de verte klinkt gesnurk.
In het donker zie ik het silhouet van de D’n Lee. Of ja, ik zie een berg slaapzak waarbij ik vermoed dat die witte vlek daar bovenaan haar neus is.
“Ik heb het zo koud,” hoor ik uit de berg slaapzak komen.
“Ik ook,” zeg ik, “ik ook.”
Ik ben zo’n vrouw die ’s nachts haar kouwe poten tegen haar vriend aanduwt. Ik ben zo’n vrouw die in de zomer nog onder een winterdekbed ligt. Zo’n vrouw die in de winter op de radiator woont.

D’n Lee en ik klappertanden ons volgestouwde koepeltentje.
Ik koop godverdomme nooit meer zo’n knakenslaapzak van de Perry.
“Ik overweeg serieus om die vuilniszak open te knippen,” zeg ik.
“Ik om onder een brug te gaan liggen,” zegt d’n Lee. “Lekker onder een warme doos.”
“Bloody Nova Zembla,” zeg ik.
“Ijs in de snor,” zegt d’n Lee.
We stellen ons voor dat als we de tent openritsen, we op een ijsvlakte staan.
Met een scheepswrak in de verte in de duinen.
De man in de verte slaakt een harde snurk en is dan stil.
Ik luister naar de golven in de verte.
Langzaam dommel ik in.
Ik droom dat ik in mijn slaapzak in de deuropening van de Bolder lig.

Het wordt ochtend.
Het wordt licht.
De zon.
De tent broeit.

“Godverdomme wat is het werrem!” roept d’n Lee.
Onder mijn trui, trui, vest, hemd, twee paar sokken en een trainingsbroek in de knakenslaapzak guts ik van het zweet.
Ik kreun en vecht me een weg door alle lagen textiel om de ritssluiting van de slaapzak te vinden. Als een larf uit een cocon worstel ik me een weg de tent uit.
Eenmaal op het gras kijk ik naar de blauwe lucht.
Ik knijp met mijn ogen in het zonlicht.
Het is dag.
Het is vrijdag.
U bent hier.
Ik ben hier.
Er klappert een tentzeil.
We zijn begonnen.