Vannacht sliep ik voor het eerst weer fatsoenlijk. Voor het eerst werd ik weer eens wakker zonder dat ik het gevoel had dat ik de hele nacht had moeten vechten, had moeten rennen met een elastiek aan mijn rug.
Ik droomde dat ik voor moest dragen zonder mijn opschrijfboek en dat ik daarom maar een soort stand up-act deed. En niemand wilde luisteren.
Met een glimlach die niet van mijn gezicht te rammen was liep ik gisteren tussen de dansende mensen in Ekko door. Met stip is het de tent waar ik het meeste dans met het minste bier op.
Het was druk en de muziek was mooi en de woorden ook.
Melancholie, maar niet te zoetsappig, grappig maar nergens te plat.
Ik liep op wolkjes tussen de bedrijven door.
In de auto terug vertelden P de DJ en ik elkaar steeds maar opnieuw over "en toen die dit deed" en van "toen je dit draaide" en "hij dit zei".
En van "och, zijn ze niet geweldig", "het brak mijn hart" en "wat een fijne man", "wat een fijne vrouw". De zon begon al op te komen en we draaiden liedjes van die avond nog een keer.
Bij de frietkraam haalden we biertjes en thuis bakte ik tosties.
Nog meer plaatjes en nog meer praten en nog meer licht door de ramen tot de woorden eindelijk verstomden en we alleen nog maar luisterden.
***
Dit is het stuk dat ik gisteren las.
Ik heb er wat filmpjes bijgezet.
Neuroot.
***
Grubbenvorst
Ik rij mijn geboortedorp uit op weg naar huis.
Nog wel mijn huis.
Morgen verhuis ik.
Het is tijd.
Het is al laat en ik heb zojuist de auto bij mijn ouders opgehaald.
Ik hou van in het donker rijden en vandaag hou ik van alleen rijden.
Ik hou van alleen rijden.
Ik vind dat heerlijk.
Alleen rijden.
Het regent.
Ik denk niet dat muziek maakt dat ik doe wat ik doe, maar ik weet dat sommige liedjes mijn leven gered hebben. Misschien als ik braaf naar the New Kids on the Block was blijven luisteren was ik wel gewoon getrouwd geweest en woonde ik nu in een huisje in Waddinxveen en had ik een auto en een konijn in een hok in de tuin.
Een fatsoenlijke baan.
Step by step.
Liedjes zijn geen antwoord, zei je, maar alleen een soundtrack.
Je bent een dromer, zei je ooit, nog veel eerder, toen de zon nog scheen en we in het gras lagen.
Ik denk niet dat je dat nu nog zo ziet.
De auto is nieuw maar heeft nog steeds hetzelfde cassettedek dat ook in de voorgaande auto’s van mijn ouders zat. Onder de bijrijderstoel staat vast gewoon weer de bak met cassettebandjes.
Sommige dingen veranderen niet, zeg ik hardop.
Sommige dingen veranderen niet.
Ouders veranderen niet.
Hun auto's veranderen niet.
En de collectie muziek in die auto’s ook niet.
Ik buig me voorover en voel met mijn hand onder de stoel naast me.
Stoffige ruggen van hoesjes ratelen onder mijn vingers.
Randy Newman, Ry Cooder.
Mijn ouders wilden eigenlijk nooit een autoradio, maar ze moesten wel, hoe konden ze anders nog iets positiefs uit die Fiat Panda halen die ze toch nooit echt voorgoed de provincie uit zou rijden.
Mijn broers vulden destijds de schamele collectie aan met meer.
The Waterboys,
James,
Ride,
the Stone Roses,
This Mortal Coil.
Van die cassettes wipten ze meestal de hoekjes aan de zijkanten eruit, zodat er niet meer overheen getaped kon worden. Ik wilde namelijk die tapejes nog wel eens stelen om er liedjes van de radio op op te nemen.
Whitney Houston,
Gloria Estefan,
John Secada.
Dat hield op toen mijn broers op een goede dag begonnen met mijn kamer binnen te stormen, mijn cassettedek open te klikken en een serpentine aan roestbruine slierten uit mijn bandjes te toveren.
Het was feest.
Ik kreeg er bandjes van the Smiths voor terug.
En toen ik eenmaal the Pixies voor het eerst hoorde heb ik alles wat met the New Kids on the Block te maken had de deur uitgeflikkerd.
"Is dat zoiets als Bon Jovi?", vroegen ze op school.
"Neehee", zei ik dan "jullie snappen het niet."
Jij kunt niet lang alleen zijn, zei je.
Ik verander niet.
Jij verandert niet.
Je wilt gewoon aandacht, zei je.
Je bent er klaar mee.
Ik duw een cassette de autoradio in.
Rukwinden maken dat ik slinger en de regen slaat tegen de ruiten. Ik hou van regen en van het geluid dat ruitenwissers maken bij slagregen. De banden maken een zwaar brommend geluid door de grote waterplas als ik een bocht draai, de streekweg op die naar de snelweg leidt.
Grubbenvorst.
Huizen en boerderijen en het bos waar ik vroeger in speelde schieten aan me voorbij.
Ik vraag me af wat voor invloed dat had op mij. Als kind. Dat ik dacht dat Grubbenvorst een normale naam was voor dorp. Dat iedereen dat deed, kuilen graven in Grubbenvorster grond. Ik at het wel eens, dat zand en soms denk ik nog aan dat knarsen als ik sla eet. Ik vind dat ieder kind zijn moedergrond eens gegeten moet hebben.
Maar een dorp als Grubbenvorst kan niets anders doen dan je mee naar beneden sleuren. Grubbenvorst is zoals het klinkt. Als een moeras. Als modder.
Ik kijk naar mijn handen aan het stuur.
“Jij bent mager geworden”, zei mijn moeder en toen ze mijn hand vastpakte. Op het fornuis stond soep. Mijn vader kookt altijd soep voor me als hij weet dat het weer eens mis is.
Boven hoorde ik water de badkuip instromen.
Ouders moeten ouders zijn.
"Ik kan maar even blijven", zei ik. De hond duwde zijn neus in mijn zij.
Ik vind het niet eerlijk dat je nu zelf weg wilt gaan.
Ik zei van alles en in wezen meende ik dat vanalles wel, maar eigenlijk wilde ik alleen niet zeggen dat ik niet wilde dat je ging. Dus zei ik dingen als "we zijn altijd alleen, of we nou samen zijn of niet" en dingen als "het gaat me niet om jou. Ik ben altijd zo."
Ik zie wel of ik er nog ben, zei je.
Ik ben een goed mens. Echt. Ik probeer het.
Ik zag ooit op televisie Otis Redding I've been loving you to long zingen, en sindsdien noem dat gevoel een chronisch gebroken hart.
"Wat heeft ze nu weer gedaan?" zei mijn vader toen hij de keuken binnen kwam.
Hij begon in de pan te roeren.
"Ze is gewoon een eigenheimer", antwoordde mijn moeder.
"Als ze denkt dat het leven nog gaat beginnen dan heeft ze het fout", zei mijn vader "het is al bezig."
"Wat weet jij daar nou van?", zei mijn moeder "ze moet gewoon even alleen zijn."
"Iedereen is alleen", zei mijn vader.
"Ik ben niet alleen", zei ik "alles wordt nu gewoon anders."
"Mensen veranderen niet", zei mijn vader.
Toen we gisteren tegenover elkaar in de woonkamer stonden zei je dat ik nooit gelukkig zou worden als ik niet zou veranderen.
"Mensen veranderen heus wel", zei mijn moeder.
Mijn vader begon in de soep te roeren. Hij praat niet graag.
Het ligt niet aan jou.
Pijn doet het toch wel.
Het is chronisch.
Ik moest vroeger een half uur fietsen van huis naar school. Dat was meestal precies de kant van een cassettebandje.
Tenzij ik Nine Inch Nails draaide en dat deed ik, veel, toen mijn haar nog zwart was en ik Dr. Martens droeg. Dan was ik er binnen twintig minuten.
Als het regende moest ik een regenpak aan, maar soms dan reed mijn vader me met de auto naar school. En dan playbackte ik de liedjes die uit de boxen kwamen terwijl ik naar mezelf keek in de buitenspiegel. Dan deed ik alsof ik de zanger van de band was en in een videoclip zat. In een film en de liedjes de soundtrack. Ik weet nooit of mijn vader dat gezien heeft.
Vroeger.
"Ik ben niet gelukkig, maar ik vind het leven heus wel mooi", zei ik tegen mijn moeder en die lachte zoals moeders doen wanneer meisjes dingen zeggen als "ik ben niet gelukkig, maar ik vind het leven wel mooi".
Ik at de soep.
"Pittig", zei ik tegen mijn vader en ik wreef een traan uit mijn ooghoek.
Ik rijd de snelweg op.
Slight return van the Bluetones begint.
All this will fade away, so I'm coming home.
Don't go hoping for a miracle.
Liedjes zijn geen antwoord, zei je.
Ik blaas een lok uit mijn gezicht.
Nog even en dan ben ik thuis.
Soms zit ik in de trein met mijn koptelefoon op en dan kan ik om alles huilen. Om de dikke dame met steunkousen die een folder leest waarin ik 'vetten zijn gezond' zie staan. Om de bomen die in dezelfde golf als het strijkorkest voorbijschieten. Dan lijkt de meneer met de snor en de aktetas en het windjack waarvan ik bij god hoop dat 'ie niet past bij het windjack van zijn vrouw ineens deel uit te maken van wat ik hoor. En is de roze plas die uit een omgevallen bekertje drinkyoghurt richting het gangpad stroomt ineens mooi.
Jij wil teveel, zei jij.
Ik kan niet doorgaan, zei ik, ik moet dit doen. Ik moet alleen.
Jij wilt teveel, zei jij weer.
De snelweg is leeg.
Ik rijd te hard.
Dan zit ik in de trein en dan ben ik
James Mercer
of Harriet Wheeler van the Sundays. Ach wie kent Harriet Wheeler nog?
Dan ben ik Morrissey.
Dan kan ik nooit kiezen of ik in mijn dagdroom wel gitaar kan spelen, want ik kan eigenlijk helemaal geen gitaar spelen en een dagdroom moet altijd een balans hebben tussen wat echt kan en wat een droom is. Ik zou nooit zo kunnen zingen als Wheeler. Maar dan OOK nog gitaar kunnen spelen. Dat gaat te ver.
Ik lepelde mijn soep op.
"Wil je nog in bad?", vroeg mijn moeder.
Sit down van James begint.
Ik ben er nog niet klaar mee.
Ik ben het er niet mee eens.
Ik kom niet vooruit.
Het is de modder.
Dingen veranderen niet.
Dan zit ik in de trein en dan stel ik me voor dat ik
Tunnels van the Arcade Fire schreef en het met mijn viersporen recordertje opnam en aan iemand liet horen, die dan zou zeggen dat het geweldig was. Maar ik kan niet zingen.
De soep was op en ik haakte de sleutels uit het kastje.
Mijn vader klopte me op mijn rug en gaf me het mapje met de autopapieren.
The Stone Roses nu.
I wanna be adored.
De ruitenwissers zwaaien op de maat en ik zing mee.
Hard en vals.
Ik draai de rotonde op.
Het kan me niet schelen.
Vandaag rijd ik alleen.
Vandaag rijd ik graag alleen.
Ik rij nog een rondje.
En nog een.
Ik zing door.
Mijn moeder liep mee met me naar de autodeur. Over het hek heen zag ik mijn vader zwaaien. Ik stapte in de auto. Ik kreeg nog een kus.
Ik heb ooit mijn nagels geknipt zodat ik beter piano zou kunnen spelen. De realiteit was dat ik gewoon geen piano kon spelen. Of ik nou nagels had of niet.
Ik was fout.
Je had gelijk.
Ik stop voor mijn deur.
De motor slaat af.
Ineens is het stil, alleen de regen op het dak.
Ik ben thuis.
De ramen zijn donker.
Je bent weg.
Het is stil. Ik ben alleen.
Je had gelijk.







Jij schrijft veel en leuk en goed. Erg stimulerend. En drie keer weekwinnaar zal toch wel scheepsrecht zijn? Hopelijk doe je ook mee aan de neplog wedstrijd.
Whoohoo...
Het Nowhere-album van Ride staat na ruim 15 jaar nog steeds in mijn eeuwige top 10.
.....en Harriet Wheeler ken ik nog.....
(wat zou ze tegenwoordig doen?)
Dag 'het meisje',
Wat mooi en raak geschreven... je omschrijft hier precies mijn gevoel van afgelopen weekend. Ik had er geen woorden voor, ik voelde alleen. En dan lees ik dit en riep ik met blijde en verdrietige herkenning tegelijk: dit is het. Precies, zo is het. En dan voel ik mij iets minder alleen. Bedankt voor die herkenning. Wederom!