01 juli 2007
Hier. Nu.

Ik speel hier dageliijks iets van honderd liedjes.
Soms is het 't zelfde nummer, steeds weer en weer.
Vandaag niet.
Nu.
Niet.
Vandaag zijn het er meer. Het zijn er honderd in mijn hoofd. Tijd bepaalt nu niet de lengte. Ik ben maar opgestaan.

Ik ben gaan lopen en ik zing, nu. Niet hardop, ik mummel wat. Per meter wat maten, maar ik mummel ze. Alsof mijn leven er vanaf hangt en vannacht hangt het er vanaf.

Ik ben op weg.

Op een dag dan ben ik er, dat ik in bed mijn nek in een rare hoek buig en je hoofd kus.

Vannacht zijn het slechts straatlantaarns en zie ik mezelf in de winkelruiten.
En hoe verder ik loop, hoe meer ik mezelf zie in de reflecties in ruiten van woonkamers, waar banken en salontafels in het donker wachten op de eerste kindervoeten, op de eerste stappen van hakken die haasten omdat er weggegaan moet worden.

Ik heb geen huis.
Ik loop.
Ik heb de tegels.

Op mij wachten geen salontafels waar vannacht nog de asbak en lege glazen met plakkerige cola-rand vanaf werden gepakt en naar de keuken werden gedragen. Waar nog wat borden op het aanrecht stonden. Niet bij mij, want ik loop. Ik loop alleen maar. Want stil zitten is het zitten en het missen en het moeten kunnen kiezen om naar bed te gaan.

Ik loop.
Ik kies niet.

De straat maakt een bocht.
Soms kom ik in wijken waar ik nooit eerder was.
Ik zing. Niet lang. Ik verstil.
Nu.
Houdt u stil.
Hier sta ik.

Op een ruit zijn plakplaatjes geplakt. Daar ergens liggen ademende hoopjes onder een dekbed die niet weten dat ik naar hun plakplaatjes kijk. De wetenschap dat anderen naar de ruiten kijken van het huis waar je woont komt altijd later dan dat je ze plakt.
Ik kijk naar binnen.

Ik loop.
Nee.
Ik verstil.
Ik sta hier.
Nee.
Ik sta.
Kijk dan.
U.
Nee.
Nu.

Ik plakte altijd plaatjes op zijruiten die uitkwamen op de oprit. Een hoog raam dat met een hendel opengeklapt kon worden. Ik ben nu zo blij dat ik ouder ben en niet meer klein. Ik heb altijd al willen lopen. Ik liep nooit. Ik keek naar hoe druppels zich in het condens vormden. En hoe druppels zich konden voegen bij andere, tot een dikke druppel en verdwenen in het kozijn.
Ik hoor de hond weer blaffen.
Ik ben alleen.
Weer.
De wolken zijn zwaar.
Alle huizen zijn gelijk en niets zal ooit zijn zoals mijn huis was. Waar plakplaatjes waren en houten blokken waar ik forten mee bouwde.
En waar ik naar een scheur in het plafond staarde.
Dat huis is er nog wel.
Nee, ik ben anders.
Nee, het huis is anders.

Ik loop en ik wil nergens anders zijn.
Alles speelt zich af waar ik ben.
Dat was vroeger nooit.
Ik wilde nu zijn.
En voelen wat ik voel.

Ik hou van je.

Ik ben op weg.

En ik sla mijn handen in een boogje rond mijn ogen tegen het raam en kijk.
De sofa staat in de schaduw.
Drie afstandbedieningen netjes naast elkaar.
Een kussen in de hoek.
En alles is druilerig en ik ben ben blij dat nu nu is, en niet vorig jaar.
Mijn adem wasemt op het raam.
Ik trek mijn hoofd terug.
Stappen achteruit.

Tot op de stoep.
Ik loop.
Het is nog geen tijd.
Ik ben alleen.
Laat me niet alleen.
Het wordt al licht.
De zon schijnt tussen de takken van de laan waarin ik loop.

Het was vroeger het raam en de boom en het platgetrapte gras in tuin. Het is weg en het komt nooit meer terug en hoewel ik het allemaal met deze ogen zag ben ik in een ander lijf gegroeid. Ik voelde dit toen al.

Ik hou van je, lief.

Nu.
Nu.
Nu.
Ik draai me om.
Dat ik mijn nek in een rare hoek wilde buigen om je te kussen.
Het was de wil.
Nu is het zijn.

Tijd bepaalt niet de lengte.
Het is laat.
Het is vroeg.

Ik kom thuis.
En ik kijk naar mezelf in de spiegel. Ik mummel mee, met wat er nu weer in mijn hoofd speelt. Honderd en één en ik draai me om.
Het is tijd.
Het laat.
Het is vroeg.

Ik mummel mezelf in slaap.
Per meter deken.
Nu.
Ik ben alleen.
Licht door de ramen.
Wie me ziet.

Ik ben hier.

7:20






Naam
Email
Website
Onthouden?
Reactie (HTML is toegestaan):