Bies en ik zitten in het schrijfhok.
We typen een boel en we hebben het warm.
"En ik moet nog een waterkan kopen. Voor m'n zus."
"Is goed."
"Ik bedoel, je moet wel een volwassen huis hebben als je waterkan wilt. Ik heb geen waterkan. Heb jij een waterkan?"
"Nou, ja."
"Een waterkan?"
"Ik drink liters roosvicee, dus ik moet wel."
"Ja, maar dat is geen waterkan."
"Nee, dat is waar."
"Daar hoort dan ook zo'n speciale tafel bij."
"Ja, en dat er altijd ijsklontjes zijn."
"En schone glazen."
"Ik bedoel, ik heb nooit ijsklontjes."
"Nee, ja, soms."
"Dan ben ik een uur aan het pielen met de zakjes uit de vriezer. Die zitten dan helemaal vastgevroren."
"Dat hebben mensen met een waterkan nooit."
"Nee, en als ik van die bakjes in de vriezer zet dan smaken ze naar vieze vriezer."
"Vieze vriezer!"
"Ik heb honger."
"Ik ook."
"Kom we gaan een blokje om naar de Appie."
"En voor een waterkan!"
"Natuurlijk, Bies, natuurlijk."






