Ik was een tekst aan het herschrijven, want misschien is dat wat ik doe als ik niet kan slapen, herschrijven. En nu ik dat zo schrijf: misschien doen we dat allemaal wel als we niet kunnen slapen. Maar goed, van piekeren word ik wel moe maar niet moe genoeg om te kunnen slapen, dus een betere keuze is, zoals altijd in dit trieste bestaan, het licht van een beeldscherm.
De originele tekst schreef ik negen maanden geleden en ik moet zeggen dat ik de nieuwe versie een stuk beter vindt. Of de ouwe een stuk slechter, het is maar hoe je het bekijkt.
Lang leve de paradigma's! Kies er een stel en flikker wat er niet inpast zoveel mogelijk uit.
***
De dame
De hal van het hotel ziet eruit als in een film. Zoals de hal waarin Dustin Hoffman wacht in the Graduate. De hal is groot en betegeld en in een rode pluche stoel zit een dame. Ze drinkt een gin-tonic en ze wacht. Ze heeft haar benen over elkaar heen, zoals ze dat meestal doet. Zoals het hoort. Of zoals het ooit moest.
De poetser heeft een uniform aan en komt voorbij met zijn kar.
Hij veegt.
Ze praat.
"U denkt dat u mij kan helpen, maar dat hoeft u helemaal niet."
Ze stampt haar citroentje.
"U hoeft helemaal niets te denken. Niets te doen. Voor een dame op leeftijd is pluche genoeg."
De poetser lacht. Kort, ze kijkt naar zijn hoektanden.
"Wat denkt u? Een gin-tonic? Het pluche is geplet hier in de hal. Ziet u dat? Al die achtersten die allemaal op deze stoelen zaten. En nu zit ik hier. Nog steeds. Alweer. Al die mensen die hier waren en al die verhalen."
Ze legt haar hand op de arm van de poetser, hij zet zijn kar op de rem.
"Wat u? Heeft u nog een verhaal?"
"Misschien moest u maar weer eens gaan lopen", zegt hij en glimlacht.
Een man en een vrouw doorkruisen de hal. Ze wanen zich alleen en ze lachen, raken elkaar aan, kussen. De dame en poetser volgen ze met hun ogen. Dan sterven hun stemmen weer weg, de gang in. De poetser hangt met zijn wang op de stok van de bezemsteel.
"Gelukkige koppels maken me aan het kotsen", zegt de dame.
"Mij ook, mevrouw, geloof me. Mij ook", zegt de poetser.
"En hij liet me. Ik zat in de hal, had ik u dat al eens verteld? Ik zat in de hal van een duur hotel."
Ze zwaait haar arm naar achter. Puft rook terwijl ze spreekt.
"Ach, hij was zo rijk. Hij was zo knap. We zouden een weekendje naar Antwerpen. Ik zat daar maar in dat hotel en hij kwam niet."
"Nee, dat had u nog niet verteld."
"Ik dacht dat ik hem niet nodig zou hebben."
"Een pittige tante als u heeft toch niemand nodig?", zegt de poetser.
De dame gaat met haar tong langs haar tanden en kijkt hem aan.
"U denkt dat u mij kunt helpen, meneer, maar dat kunt u helemaal niet."
Ze drukt haar sigaret uit.
De poetser geeft haar kort een knikje en veegt verder. Met zijn kar trekt hij in cirkels door de hal tot hij uiteindelijk door de deuren verdwijnt. Ze is alleen nu, maar ze praat evengoed.
"Het was een goede dag. Ik denk bij god, het was een goede dag."
Er zal zo wel weer iemand binnenkomen.
Bij god kan de boel nog steeds een goede dag. Een goede, een betere en ze klakt haar hakken drie maal tegen elkaar. Dames op leeftijd blijven soms gewoon nog een vleugje meisje in zich houden. Daar doe je niks aan.
Een klerk komt door de deuren de hal ingelopen. Met een natte zakdoek is hij bezig een vlek van zijn zwarte pantalon te vegen.
"Als het jagen stopt en het zoeken niet meer hoeft dan zie ik alleen nog maar jou. Ik ben alleen als ik met jou ben. Ik zocht om alleen te zijn en toen was jij daar ineens. Met je niets en je leeg."
De klerk kijkt op, stopt zijn zakdoek in zijn zak en loopt op haar af.
"Kan ik u helpen, mevrouw?"
"Dat denkt u wel, maar hij is weg."
"Ik..."
"In principe vroeg ik het hem zelf. Om weg te gaan, bedoel ik."
"Qua drank. Of u nog wat nodig heeft."
Hij pakt het lege glas van het tafeltje naast haar.
"Niet met zoveel woorden, maar hij ging. Ga maar verder, jongen. Ik denk niet dat ik nog wat hoef."
In de hal hoor je overdag een constante stroom van zolen die de tegels raken. Ergens klinkt het een beetje zoals in een bos of aan zee. Iets dat golft of ruist. Maar ergens is niet buiten, ergens is hier, in de hal.
Weer voetstappen.
"Hakken", zegt de dame.
"Pardon?", vraagt het meisje met het dienblad. Het stampertje voor de citroen valt bijna uit het glas dat op het dienblad staat.
"U had nog een gin-tonic?", zegt het meisje. Ze heeft blond haar en bolle wangen. Ze bloost niet gauw, maar denkt daar wel vaak aan, aan gauw blozen.
"Nee meisje, het spijt me."
"Nee hoor, geen sorry", zegt het meisje.
"Het spijt me. Het spijt me altijd. Drie keer klikken en buiten klinkt de stad als zoals het daar doet. En ruikt mijn bed naar mij. Het ruikt altijd naar mij. "
Praat haar niet van spijt.
Het meisje zet het glas terug op haar blad.
"Ach", zegt ze "ik drink hem zelf wel op. Ik laat u alleen."
De dame staat op en loopt nu zelf over de tegels en laat de hal dit keer alleen achter met het geluid van wegstervende hakken.
De lift. Weer een gang. Haar deur. Haar handen trillen niet, al zou je dat verwachten. Maar dames op leeftijd blijven soms gewoon nog een vleugje meisje in zich houden.
De deur gaat open en een vierkant van licht valt kamer in. Ze zoekt met haar hand het lichtknopje om de hoek.
Ze zucht als ze op de rand van haar bed zit en ze denkt na. De dame wil niet meer lopen.
Ze is er klaar mee.
Als ze haar ogen sluit prevelt ze wat.
Woorden die haar ooit pasten als een jasje. Ik dacht dat ik je niet nodig had.
Ik dacht dat.
Ik dacht dat echt.
"Het spijt me", zegt ze als naar het bedlampje reikt en het dooft.
De dame slaapt in en het moment voor het wegzakken trekt ze met haar been. Een huidzak vol reflexen is al wat er rest. En het ademt.
De hele nacht, een warme hoop onder de deken.







mooi hoor...