13 mei 2007
Qua parkeren en verstrooien

Hoe ik inparkeer heeft heus niks te maken met het feit dat ik blond, een vrouw en hooggehakt (en dan bedoel ik qua schoen en niet qua vlees) ben. De parkeerplek was genoeg om een flinke bus op kwijt te kunnen. Kind kan de was doen.
Ik ben geen kind meer en parkeren ging dus van zo.

Eerder vandaag zat ik aan de telefoon.

"En als ik die asperges dan breng, mag ik dan meteen ook even douchen?", zei ik tegen Jnnk.
Mijn douche ligt namelijk aan puin.
"Ik moet nog heel veel doen", zei Jnnk.
"Ik ook. Heb al twee liter koffie naar binnen gekletst."
"Vind je het niet vervelend om die aspergers te komen brengen?"
"Lee's waggie staat hier nog. Die moet vandaag terug. En ik stink", zei ik.
"Waggie?"
"Laat maar. Asperges."
"En je stinkt."
"Juist."
"Auto!"
"En dat is ook juist."
"Dingen doen!"
"Ja! Zal ik anders de klaptop meenemen en bij jou gaan tiepen? En dat we dan heel streng zijn en elkaar aan het werk houden?"
"Ja!"
"Jeu!"
"Jeu!"

Ik ben zo verstrooid dat ik gisteren besloot om er voortaan maar gewoon om te lachen. Waarom ik me dat niet eerder voornam is me een raadsel. Het is niet eens gewoon dingen vergeten, het is een hogere vorm van dat. Mijn hoofd lijkt verdeeld in twee helften (kijk mij eens een baanbrekende theorie met een sierlijke zwaai op tafel gooien). Één helft voor de dagelijkse dingen en één helft waarin ik mij afvraag hoe schuld en schaamte van structuur verschillen of waarin ik plannen maak om een stroming voor de nieuwe ontroering in gang te zetten.
De laatste tijd zit ik nogal niet in de dagelijkse-dingen-helft.

Terwijl ik uit de auto stapte bedacht ik me dat ik tegen Lee alleen maar hoefde te zeggen dat ze van veraf haar auto al zou kunnen zien staan. Ik ben altijd blij dat er een soort van fietspad-achtige strook langs haar straat loopt. Dan heeft niemand er echt last van dat Lee's Volkswagentje net wat verder uitsteekt dan de SUV die ook aldaar geparkeerd staat. Aan de overkant sloegen twee oude dametjes met een regenkapje gade hoe ik met mijn autodeur net een fietser miste.
Ik stapte uit, liet mijn sleutelbos rond mijn vinger draaien en liep naar mijn fiets.

"Hoeveel zin heb jij in asperges?", zei ik door de telefoon, terwijl ik het slot van mijn fiets openmaakte.
"Zijn ze rot?", vroeg Jnnk.
"Nee", zei ik.
"Wat is er dan?"
"Ik heb ze in de koelkast laten liggen."
Het begon te regen.
"Ik haal wel een pakje peuken voor je op het station", zei ik.

De les leert dat je de aanleiding van het gaan niet nodig hebt om er te komen.

16:17


Ik vraag me af of de tipfauten bij het blog horen, of dat het gewone typfouten zijn. Het kan allebei, jaja, met een bedoeling.

Tiepisch!

Hmpf! In mijn waggie geen asperges! Dank u.....

wel geinig en in ieder geval niet plaatvloers





Naam
Email
Website
Onthouden?
Reactie (HTML is toegestaan):