10 mei 2007
Bloemen buiten tot het bloedt

De hooiman en ik rennen over straat. We springen over bankjes heen en rennen stukken met de bus mee. Bij een bloemenstalletje is een man bezig de bloemen buiten te zetten en de hooiman rukt een bos rozen uit een emmer.
Het is ochtend en we rennen.
Het is nog best lastig om het volk te ontwijken, de aktetassen en moeders met kinderstoeltjes op de fiets.
Het doet ons niets en de hooiman deelt de bos in twee. Hij is begonnen de rozen uit te delen aan voetgangers die we voorbij rennen.
Ik neem de halve bos aan.
Onze handen zijn gaan bloeden.
We zijn al op pad sinds gistermiddag.
Het gaat snel.
De tijd vliegt.

De hooiman en ik zitten aan een tafeltje in de kroeg.
Het is twaalf uur in de middag en we drinken bier.
We zitten hier al twee uur.
Of pas, want we konden niet eerder. De kroeg ging om tien uur open.
De hooiman en ik, we hebben pijn aan onze voeten. Al twee dagen willen we niets anders dan dansen.
"En rennen", zegt de hooiman.
"Het is geen kwestie van willen", zeg ik "het is een kwestie van moeten. Ik snap niet waar jij vandaan haalt dat we iets willen."
"En bier drinken", zegt de hooiman "moet jij nog?"
"Ik wil altijd", zeg ik in een boer.
De hooiman kantelt zijn glas om de laatste druppels binnen te krijgen. Zijn glas beslaat. Hij steekt twee vingers op naar de barvrouw. Ze zucht. De barvrouw is een beetje een soort Carla van Cheers, alleen dan jong en blond. Ze zet de twee glazen met een klap op tafel.
Volgens mij vindt ze het niet zo gezellig en dat klopt ook, want het is niet gezellig.
"Ik vind dat niet normaal", zegt ze "op een donderdagochtend al zo aan het bier."
"Wij zitten hier niet voor de gezelligheid", zeg ik.
"En als we normaal zaten te doen, gingen we wel naar het V&D-restaurant", zegt de hooiman "maar ik heb nu eenmaal geen zin in sla met pitjes."
"Prima", zegt Carla "maar dit is jullie laatste."
De kok met de tatoeages komt naast haar staan en vouwt zijn armen voor zijn borst.
De hooiman maakt zich breed en wil opstaan.
Ik leg mijn hand op zijn arm.
"Kom we gaan."

Soms moet je gewoon blijven rennen. Niet dat het nut heeft, dat rennen. Er is niks aan, ik haat sport. Maar dit rennen is geen sport.
We zijn op een bankje aan het water gaan zitten.
De hooiman kijkt naar mijn handen.
"Jouw handjes zijn ook veels te teer", zegt de hooiman "je hebt helemaal geen eelt."
Ik zucht en ik kijk over het water.
"Endorfine", zeg ik.
"En bier."
"En bier."
"Er zit bloed op je wang."
"Voel jij nog wat?", vraag ik.
De hooiman haalt een grote zakdoek uit de zak van zijn spijkerbroek. Dat gaat nogal lastig want de hooiman draagt altijd hele strakke broeken. Met wat spuug veegt hij over mijn wang.
"Ik zeg altijd maar zo: we zetten maar weer eens de bloemetjes buiten."
"Ik ben moe", zeg ik "maar ik wil niet alleen."
"We gaan naar huis", zegt de hooiman "ik stop je in bed."
"Ik wil niet alleen, ik wil meer bier", zeg ik.
"Naar bed", zegt de hooiman en hij tilt me op.
De wereld stopt met draaien. Misschien staat alles nu ook echt stil.
Ik sluit mijn ogen.
Het is stil.
Ik hoor alleen zijn voetstappen en het kraken van zijn riem op de maat.
De wereld raast niet meer, de wereld wiegt.
"Endorfine", mompel ik.

De hooiman draagt me naar huis.

13:24


no. no. no





Naam
Email
Website
Onthouden?
Reactie (HTML is toegestaan):