De hooiman en ik liggen op de bank.
We kijken een film.
"Heus", zeg ik "geen ijs meer. Ik word nog moddervet."
Ik ga zo naar bed.
Het is laat en we lopen over straat.
"En dan sta ik op en dan bak ik een ei", zegt de hooiman.
Het is nog warm.
"Ik heb heel niemand nodig", zeg ik "en jij ook niet."
"Ik kan zelf prima eieren bakken."
"Ik ga echt zo slapen", zeg ik "ik val bijna om."
"Ik begin graag zinnen met ik."
"Ik ook."
We lopen langs een terras en ik luister naar het geroezemoes. En ik denk aan dat ik dat geluid altijd toen ik klein was in koortsdromen hoorde, maar dan heel hard.
Dat was toen.
Ik denk dat het toen begon.
Al die ruis.
"Volgens mij wordt het een global warming-zomer", zeg ik.
"Laten we het hopen", zegt de hooiman.
Maar nu is nu en ik loop met de hooiman op de stoep.
De hooiman en ik zitten op een terras. Het is laat. Nog steeds. Maar nu wat meer.
"Ik kwam gisteren in de bus tot de conclusie dat het leven gewoon een grote brei van ongelukkig zijn is, en dat ik mezelf afleid met iets van neuroses, zoiets als plezier en verliefd worden", zegt de hooiman "en dat ik hier met je bier zit te drinken is maar gewoon een opvulling van mijn grootse gevoel van kutheid."
"Je roezemoest", zeg ik "Plato zei ooit dat verliefdheid een ernstige vorm van krankzinnigheid is."
"Ooit is nogal een breed begrip, als je het over Plato hebt", zegt de hooiman.
"Roezemoes is ook een breed begrip", zeg ik.
"Wie heeft dat woord in hemelsnaam ooit bedacht?"
"Plato?"
"Nee, roezemoes."
De hooiman zucht.
"Heb je plezier?", vraag ik.
"Natuurlijk. Als ik met jou zo zit."
"Ben je verliefd?"
"Ooit was ik het wel", zegt de hooiman "maar nu weet ik niet meer. Ik zit gewoon achter de vrouwtjes aan, maar ik weet niet wat ik er mee moet. Al dat gedoe. En dat gemis. Als het over is."
"Als je niets hebt, gaat het ook niet over."
"Nee."
"Ik vind het prima in mijn eentje."
"Ik ook," zegt de hooiman.
"Volgens mij ben ik altijd verliefd geweest. Op de vrienden van mijn broer, op de jongens in mijn klas, op de jongens die altijd met ons meefietsten als we naar de kroeg gingen toen ik nog in Limburg woonde. Het gonst. Altijd."
"Altijd maakt niks."
"Nee."
"Dus."
"Dus niks", zeg ik "ik neem dat gevoel nooit meer serieus."
"Je bent geschift."
"Ja. Nee, verliefd zijn is een neurose. Kinderen willen is een neurose."
"Dat zeggen alleen vrouwen zonder kinderen."
"Ooit", zeg ik "zeiden zij dat ook."
De hooiman en ik zitten op het stoepje. Het is nog later.
Ik steek een sigaret op. Ik heb teveel bier gedronken.
We kijken naar de mensen die uit de kroeg om de hoek voorbij lopen.
"Roken en lopen staat echt heel erg stom", zegt de hooiman.
"Ik heb het koud", zeg ik en ik trap mijn sigaret uit.
De hooiman zet een glaasje water op mijn nachtkastje.
"Ik vind drie dekens wel erg veel, zo in een global-lente."
"Ik weet ook niet op wie ik nu loop te wachten", zeg ik.
"Ik weet het ook niet. Wist ik het maar."
"Ik weet ook niet wat ik met mezelf aan moet."
"Ik weet het ook niet", zegt de hooiman.
"Wist je het maar", zeg ik.
"Ik vind dat je met ik moet beginnen", zegt de hooiman.
"Ik wou dat je het wist."
"Ik ga naar huis."
"Ik vind dat echt helemaal niet erg", zeg ik.
"Ik ga toch", zegt de hooiman.
De hooiman dekt me toe en ik krijg een kus op mijn voorhoofd.
Hij draait de lichten uit en sluit de deur achter zich.
Loopt door de gang.
"Ik ga wè-heg!", roept hij heel hard.
"Ik vind dat goe-hoed!", roep ik terug.
Hij trekt de voordeur dicht.
En door het slaapkamerraam hoor ik zijn voetstappen verdwijnen in de stemmen op straat.
In het zachte geroezemoes van nu.







Zou geroezemoes in het nu een voorbode zijn van een nostalgisch gevoel dat we straks over 'roezemoezende tijden' hebben...? Dat zou mooi zijn, als dat kon. Roezemoezende tijden.
Ik vind geroezemoes iets heel troostends geven altijd.
zucht...