Een stukje uit waar ik mee bezig ben.
Had de ijdele hoop deze eenakter voor een bepaalde deadline (vandaag) af te krijgen, wat niet lukte.
Op zich ook niet zo vreemd, ik begon drie dagen geleden aan dit stuk.
Het heet ERF en gaat over twee verbrande meisjes in een ziekenhuiskamer.
Een moeder fungeert een beetje als verteller en ik weet nog niet of ik haar ga schrappen. Ze past er eigenlijk niet zo goed in.
Of het ook echt wat gaat worden, dat zullen we dan nog wel eens zien.
***
Een lege ziekenhuiskamer.
MOEDER
Het is midden in de nacht en de deurbel klinkt.
Ik schrik.
Ik denk eerst, de deurbel, dat kan helemaal niet, want het is middenin de nacht.
Hoe kom ik wakker?
Ik ben wakker.
Was ik al wakker?
Hoe lang ben ik al wakker?
Heb ik iets gehoord?
Was dat gestommel?
Staan ze aan de deur?
Hoe laat is het?
De bel gaat nog een keer en ik spring op.
Het linoleum is koud.
Ik loop op mijn tenen.
Ineens ben ik bang dat er iemand aan de deur staat die kwaad wil doen.
Ik rem af.
Mijn hand tegen het grove stucwerk van de muur.
Weer de bel.
Ik leun met mijn oor tegen de voordeur.
Ik hoor een stem.
Twee stemmen.
Mannen.
Ik durf de deur niet open te doen.
Hoe laat is het?
Hoe lang staan ze er al?
Weer de bel.
Ik schrik.
Ik roep.
Ik roep met mijn wang tegen de deur.
Wie is daar, roep ik.
Ik heb de deur opengemaakt.
Dan lijken dingen.
Lijken dingen.
Het gaat zo snel.
Ik zit op de bank.
Ik kijk naar mijn handen die in mijn schoot liggen.
Ze gloeien, ze voelen droog en heet aan.
Terwijl ik ze niet langs elkaar wrijf.
Hoe komen mijn handen zo heet?
Zo droog.
Ik kijk op.
Ik moet mijn duster uit.
En me klaarmaken om naar het ziekenhuis te gaan.
Ik kijk naar mijn handen.
Ik moet crème.
Ik moet ergens crème.
Uw dochter ligt in het ziekenhuis.
Ze is verbrand.
Moeten we even wachten en met u meegaan?
Ik hou niet van vreemde mannen in mijn huis.
Ik moet even zitten, zeg ik.
Ik moet even zitten.
Ik zit op de bank.
En ik ga me opmaken om naar het ziekenhuis te gaan, waar mijn dochter verbrand ligt te zijn.
Ik ga me opmaken terwijl mijn dochter verbrand in het ziekenhuis ligt te zijn.
Ik ga me opmaken.
Op hun fietsjes vertrekken ze.
Er gaat zo een verpleegster binnenkomen.
VERPLEEGSTER
Mevrouw?
Ze komt er zo aan.
Ze krijgt een kamergenootje.
Die komt er ook zo aan.
Van haar eigen leeftijd.
Ook met veel brandwonden.
Hetzelfde als uw dochter.
Hebben ze wat aan elkaar.
Niet?
Wilt u thee?
MOEDER
Ik zeg haar dat ik geen thee lust.
Ik hoef geen thee, nee, dank u.
***
TEUN
Ik ben in het water gedonderd, daarna.
Anders was ik dood geweest.
Ik ben niet eens bewust in het water gesprongen.
Ik viel en ik weet nog dat ik dacht: nu val ik godverdomme ook nog in het water.
Mensen zeggen altijd dat ze in levensbedreigende momenten op de juiste manier handelen.
Instinctief.
Ik ben misschien al een stukje verder geëvolueerd.
TOPRAC
Gemuteerd.
TEUN
Dat ik denk, terwijl ik aan het branden ben, godverdomme, mijn kleren.
Ik sta voor lul.
TOPRAC
Je bent een kind van je tijd.
TEUN
Misschien.
TOPRAC
Was je dronken?
TEUN
Enorm.
TOPRAC
Je bent een kind van je tijd.
TEUN
Misschien.
Het maakt geen verschil.
Jij ligt hier ook.
Net als ik.
Het verandert niets, dat allemaal maar gewoon constateren.
TOPRAC
Ik ben geen kind van deze tijd.
TEUN
Niet meer.
Je bent een stip in de krant geworden.







die laatste dialoog vink t sterkst.
tekst van de moeder is ook fijn.
1. ze probeert erachter te komen waarom ze handelt zoals ze handelt. "ik ga me opmaken om naar het ziekenhuis te gaan." waarom doen mensen zulke dingen? dat is mooi.
2 ze vertelt het verhaal. "er komt zo een verpleegster binnen" die dan ook promt daarna binnenkomt. dat vind ik grappig.
3 ben benieuwd naar de rest.