"Waarom heb je me niet wakker gemaakt?", roept de hooiman terwijl hij hinkelend de bank voorbij komt. Hij is zijn schoenen aan het aantrekken en hij heeft haast.
"Je lag zo fijn te..."
"Waarom niet? Waarom nou niet?"
"Je bent gew..."
"Nu kom ik te laat!" roept de hooiman.
Ik zit op de bank waarop hij zojuist wakker werd. Het dekentje is helemaal warm. Het ruikt nog naar mens. Chagrijnig was ik al. Vannacht vreselijk slecht geslapen en toen ik zo de hooiman zag slapen op de bank, vanmiddag.
Ach.
Ik kan er met mijn hoofd niet bij.
Hoe alles werkt. Hoe ik zoveel van alles om me heen kan houden.
Ik zag pas een handschoen in de sneeuw. Een leren, 's avonds onder een lantaarnpaal. Het frustreert me dat ik dat niet vast kan leggen. Het opschrijven verandert het, een foto verandert het. Niemand voelt wat ik voel als ik naar die handschoen kijk en het mooi vind.
"Als je dan daar ligt, heb ik geen zin om dat beeld stuk te maken."
"Hè?"
Gister vroeg ik het hem nog.
"Vind je me raarder, de laatste tijd?"
Ik heb de laatste tijd geen zin meer om me in te houden. Of anders te doen, omdat iedereen zo normaal op me overkomt. Ik heb er geen zin meer in. Toen ik pas bijna uitgleed met de fiets in de sneeuw piepte ik. Ik riep "wieieiek!". Per ongeluk.
Een oude man keek me aan. Ik besloot daarop volgend indringend naar mijn stuur te kijken en er een paar keer op te slaan.
"Ik vind je juist veel rustiger, de laatste tijd."
"Echt, je houdt je alleen maar bezig met al dat gerammel in dat hoofd van jou!"
De hooiman slaat op zijn zakken.
Ik wijs naar de salontafel.
Hij pakt zijn portemonnee.
Hij kijkt erin.
Ik wijs naar de kast met de papieren.
Hij pakt een buskaart tussen de enveloppen uit.
"Ik heb er zo genoeg van", bijt hij me toe, als hij voorbij loopt richting de deur.
"Ik ga je missen!" roep ik hem na "niet doodgaan, nu we boos zijn!"
"Maak er maar weer een grapje van!" roept hij vanuit de gang "daar heb ik al helemaal genoeg van!"
De voordeur slaat. Ik maak er helemaal geen grapje van. Ik meen het.
Ook al zeg ik het op een cynische toon. Ik kan het toch nog wel menen?
Ik zou doodgaan als hij doodging. Nu.
De telefoon rinkelt.
Het is de hooiman.
Ik neem de hoorn op.
Het is de hooiman.
Hij heeft de bus gemist.
En zijn sleutels laten liggen.
"Is er nog koffie?"
Ik ga maar alvast de koffie aan en de voordeur open zetten
Hop.
Het wordt zo'n dag.
Na al dat gechagrijn.
Op de valreep.
Nog een zeugma.






