"Ik ben helemaal stram", zegt de hooiman.
Hij haalt me de woorden uit de mond. Toen ik vanochtend opstond deed zelfs het optillen van de koffiepot pijn. Maar ik lijd graag voor koffie. Doe ik ook eens iets terug.
"Wat heb je gedaan, dan?", vraag ik.
"Helemaal niets", zegt de hooiman "misschien is dat het wel. Ik doe nooit wat. Ik doe de hele dag alleen maar niets."
"Je werkt toch hard?", zeg ik en ik sla de krant dicht.
We zitten in de keuken.
"Ja-hááá."
De hooiman zit op het krukje voor het raam en heeft zijn armen over elkaar gevouwen. Hij kijkt naar buiten. Ook zijn benen heeft hij over elkaar. Niet zomaar alleen zijn ene over zijn andere been, nee, de hooiman houdt ervan om het been dat óver het andere gaat ook weer onder dat been weg te vouwen.
Een beetje zoals dit:

Al heeft de hooiman natuurlijk vele harigere benen.
De hooiman zit als een opgefrommelde klomp vlees op het krukje. Ik begin het idee te krijgen dat hij zijn dag niet heeft.
"Waar is die kleine eigenlijk?", vraagt hij terwijl hij met laaghangende wenkbrauwen probeert om te kijken. Wat nogal lastig gaat, zo opgevouwen op een krukje.
"Heb jij je dag niet?", vraag ik.
"Ik heb d'r al een tijd niet meer gezien."
"Ze is naar school."
"Saai", zegt de hooiman en hij draait zich krakend weer naar het raam.
"Ja", zeg ik "heel erg saai. Jij hebt je dag niet."
"Hoe komt een lijf zo stram?"
"Ik heb me dat ook al eens afgevraagd", zeg ik en ik gooi chocolade-gember op een schaaltje "gember?"
"Gatver", zegt de hooiman terwijl hij onder veel gesteun opstaat en naar de tafel loopt. Hij begint van de gember te eten.
"Ik bedoel, dan hoor ik weer van de meisjes van de kantine dat ik zo'n fijne man ben. Dat ze zo goed met me kunnen praten. Goed met me kunnen praten terwijl ik ook een echte man ben."
De hooiman is een echte man, hij zeurt alleen wat veel voor een echte man.
Hij schuift aan.
"Je bent ook een echte man", zeg ik " je zeurt alleen wat veel."
De hooiman propt drie stukken gember in zijn mond en neemt een grote slok koffie.
"Ik weet gewoon niet wat ik er mee aan moet. Allemaal die mooie meisjes. Waar waren die meisjes toen ik twaalf was? En ik van dat vettige haar had en een dikke bril. Ze noemden me vroeger altijd de Lasbril achter mijn rug om. En ik kon ook helemaal niet goed leren. De domme Lasbril en nu krijg ik steeds van die opmerkingen van echte man, en zo leuk en knap en breed en ik heb van die fijne handen en ik ben zo gevoelig."
"Voor een bouwvakker doe je het prima."
"Ik vertrouw al die dames voor geen cent."
"Je hoeft er toch ook niets mee?"
"Ik word er niet goed van."
Soms wordt een lijf stram als het te vaak alleen in een bed ligt.
Maar misschien is dat ook niet erg.
"Volgens mij doe jij het prima alleen", zeg ik "nee, ik vind dat jij het gewoon heel erg goed doet, zo alleen. En daarbij, je hebt mij toch?"
Ik sla hem met de krant.
Hij lacht alweer.
"Jij bent anders", zegt hij "jij was ook een Lasbril toen je twaalf was."
"Gaan we het nu over mij hebben?"
"Jezus, wat was jij lelijk", zegt de hooiman "zo'n ronde bril en die dunne slierten blond haar. En toen al altijd verliefd zijn. Geen wonder dat jij geen man kan houden!"
Mensen veranderen niet zoveel. Ook al drogen ze goed op.
"Ik was in de vierde al veel anders! Toen was ik echt geen Lasbril meer!"
"Met je Hein de Kort-truien."
"Vanaf de vierde droeg ik die heus niet meer", roep ik "toen kon iedereen zo goed met me praten! Ik heb ooit nog gezoend met de populairste hockey-jongen."
"Na een fust bier, ja!", roept de hooiman en hij slaat op de tafel. Het servies maakt simultaan een sprongetje. Hij lacht hard en snurkend en eet het laatste stukje gember op.
"Ik had jou nooit dat fotoalbum moeten laten zien!", roep ik terug.
"Heb je nog meer?", vraagt hij terwijl hij een traan uit zijn oog veegt met de rug van zijn hand.
"Ik hoop dat jij heel erg vadsig wordt van hier komen tussen de middag", zeg ik.
Ik sta op en loop naar het snoepkastje.







typisch voor zo'n hooiman: geen chocoladegember willen, dan toch alles opvreten en dan ook hog het lef hebben om naar meer te vragen...