ANNA
Dat mijn vingers er pijn van gaan doen dat interesseert mij niet zoveel.
Deze aktetas heeft stijl.
Heb al een paar eeltvlekken op mijn hand ontdekt.
Dat jij daar niets mee kan, ja, daar kan ik ook niks aan doen.
MAX
Het gaat van kwaad tot erger.
Met jou.
Nu die tas, wat dan straks?
Een korset?
Moet ik je iedere dag insnoeren.
Dat jij niet denkt dat ik vannacht je handen nog ga lopen inwrijven met die dure rozenolie van je. Iedere avond loop ik te slepen met die fles.
ANNA
Ik dacht dat je dat deed vanwege lief.
Mij lief vinden.
Ik lief zijn.
MAX
Het gaat daar toch niet om.
Het gaat om wat je vraagt.
ANNA
Dat ik vraag of je mijn handen inwrijft?
En dat jij dan ja zegt?
MAX
Kom je 's avonds binnen met je haar in de pluis.
Ik kijk naar je en jij bent moe.
Je hebt pijn.
Wrijf ik je handen in.
Want jij hebt pijn.
Dan gaan we slapen.
Lig ik om je heen en voel ik hoe je ademt.
En je been schopt af en toe.
Alsof we daar gewoon zo horen.
Iedere nacht.
En zo horen we daar ook.
Want ik wil daar zijn.
Bij jou.
Met je handen.
Die niet ruw worden, want ik masseer ze.
En dan valt het licht, tot steeds meer.
Hoor ik hoe je tussen de lakens uitglijdt.
En kijk ik naar hoe je draait op je hakken.
Je handen laat gaan langs de schuifdeuren van de kast.
De handdoek die door je haren wrijft.
Ik kijk naar jou.
ANNA
Ik lig daar graag.
Zo naast je.
Daarom haast ik zo.
MAX
En ik kijk.
Terwijl jij haast.
ANNA
Ja.
MAX
Jij staart.
Met je haast.
Draait je haar in een strakke staart.
Trekt je jasje aan en die hakken.
Dan kijk je.
Knik je.
In de spiegel.
En op het moment dat ik me nog eens omdraai.
Weet je wel, òns bed, waar ik dan gewoon nog steeds lig.
Is je hand al van de klink.
Klikklak je de trap af.
ANNA
Als ik er eenmaal uit ga.
Dan is er toch geen tijd om te dralen.
Dan is het aankleden.
Je weet toch van mijn tijd?
Ik heb soms nog niet eens de tijd om rond het bed te rennen naar de deur.
MAX
Ik weet van je tijd.
Ik praat niet van tijd.
Of van je haast.
Ik lig daar.
ANNA
Ja.
Jij ligt daar.
MAX
Ik draai me door de lakens.
Zo zonder lenzen zie ik alleen maar een kier in de muur.
Wit licht valt de hal uit.
Vanwege ons dakraam in de gang.
Hoor ik de voordeur slaan en de banden van de auto op het grind knerpen.
Ben je weg.
En heb ik je gemist.
Of je keek.
En bedenk ik me of je wel eten mee nam.
Dat doe ik dan de hele dag.
Denken aan je ogen.
Die ik zo vaak niet meer zie.
Zie ik alleen je haar.
En je handen.
En je blik naar de teevee.
ANNA
Ik snap niet dat jij dat van me vraagt.
MAX
Ik heb je nooit niks gevraagd.
Tot nu.
Ik breek.
Steeds.
Iedere dag.
Een fijne dag maakt het niet meer goed.
Op de bank.
Fietsen naar het park.
Het helpt niet meer.
En nu wil ik dat je me maakt.
Nu.
Dat jij niets voelt.
Dat snap ik heel slecht.
ANNA
Dat siert je weer, Max.
Hoe jij er over begint.
Dat gaat om de pijn van de kloofjes in mijn vingers.
En ik zie je wel.
Je etaleert.
Ik kan niet meer naar je kijken.
MAX
Ik hoop het steeds.
Dat ik in je blik nog iets vindt.
Want het kan niet.
Dat ik dit allemaal zo hard voel de hele dag.
En dat jij nog geen schrammetje voelt.
Daar onder het kuiltje van je borstkas.
ANNA
Ik voel niks, denk jij?
Dat mijn hart er pijn van doet dat interesseert me niet.
Niet meer.
Laat het maar.
Die paar eeltvlekken.
Dat knotje wilde vlees, daar waar je ooit die snee sneed.
Die kerf kraste.
Laat het maar.
Laat me maar.
Laat me.
Ik denk niet.
Dat ik het merk.
Als je echt weg bent.







Mooi.
eelt en kerf.
pijn en weg.
ik ben benieuwd naar het vervolg. is er een vervolg? (wegscheurende autobanden of zijn het misschien juist stille weg~stappen (verder en verder)).
ben er nu min of meer bij betrokken, kijkend met de olie in de handen.