18 november 2006
Frisse lucht

De hooiman is stil. De hooiman is normaal nooit stil. Normaal praat hij aan één stuk. Vandaag niet.
Het is wel fijn, zo stil.
"Het is wel fijn zo, stil", zeg ik.
Hij heeft zijn dikke vingers rond zijn mok en ik sta aan het fornuis.
Ik roer in de soep.
Snij prei.
Gooi af en toe een klets koffie in de hooimans mok.

"Volgens mij heb ik een tumor", zegt de hooiman ineens, alsof dat moment de enige seconden waren waarin het van het universum toegestaan was om ze te zeggen.
Hij schraapt zijn keel. Op de manier waarop mijn vader altijd zijn keel schraapte als er weer een Fa-reclame op de televisie was.
"Wat is een tumor?", vraagt het meisje.

(Oh ja, weet u nog? Dat meisje voor de deur? Haar de deur uitwerken is tot dusver niet gelukt. Ze heeft op een gegeven moment zelf de meterkast maar uitgeruimd en ingericht, toen ze de bank moe was. Ze smeert veels te veel stroop op haar brood, maar verder zorgt ze prima voor zichzelf...
Dat is eigenlijk ook helemaal niet gezond, denk ik nu zo. Zo'n klein meisje dat al helemaal voor zichzelf zorgt. Er moet toch eigenlijk iemand zijn die de haren van zo'n deerndel kamt. Ik doe het niet.
Afijn, dat is een heel ander verhaal. Het punt is dat ze dus ook aan tafel zit. Daar zit ze nu eenmaal 's middags, om roosvicee te drinken en plakhanden te krijgen.
Maar goed, verder met het verhaal.)

"Wat is een tumor?", vraagt het meisje.
Ze kijkt op. Haar kin is nat, ze drinkt haar roosvicee graag uit een soepkom met één oor. De hooiman zucht.
Hij deelt mij niet graag.
"En wat doe jij hier eigenlijk?", zegt de hooiman terwijl hij over de tafel heen naar haar toe buigt "ik ken jou helemaal niet."
"Ik woon hier in de gangkast. Het koordje van het peertje hangt tot op de grond, dus ik hoef mijn bed niet uit als ik het licht uit wil doen."
"Dus jij woont hier in de gangkast", snuift hij "en je hebt een lampje met een koordje bij je bed."
"Gehad van haar", ze wijst naar mij " en er hangt een kraal aan het eind."
"Nou, leuk is dat. Ik krijg nooit niks hier."
"Je mag ook wel een keer", zegt het meisje "maar jij hebt toch al een tumor gehad?"
"Ik kook gewoon die soep en niemand heeft hier een tumor gehad", zeg ik en ik brand mijn lip aan de soep die ik proef.
Ik vloek.
"Dat heb jij niet gehoord", zegt de hooiman tegen het meisje.
"Wat is een tumor?"
Ik heb mijn bovenlip in mijn mond gezogen en ik kijk de hooiman aan. Ik hef vragend mijn wenkbrauwen op. Met een theedoek dep ik de plas roosvicee van het tafellaken.
"Dat is zo iets als kanker", zegt de hooiman bits "en daarom heb ik ook liever niet meer dat zij loopt de roken in de keuken als ik koffie kom drinken."
"Ik bepaal nog altijd lekker zelf wel of ik in de keuken loop te roken als jij koffie komt drinken."
"Weet jij wel dat ik nu heel veel frisse lucht nodig heb?"
"Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?"
"Weet jij wel hoe erg dood ik van jouw rook ga?"
"Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?"
"Ik zeur niet, ik weet alleen dat ik van jou steeds heel erg meerook."
"Jullie lijken wel een potje ping pong!", zegt het meisje "ping, pong, ping, pong."
Triomfantelijk houdt ze een koekepan omhoog.
Ik sla het deksel met een klap op de soeppot.
"Nou. Klaar. Jij pakt zelf maar, dat gaat prima met die stomme tumor van je en die dikke armen. En jij, met je vlechten, waag het niet om weer een hele landkaart op dat tafellaken te maken."
"Ik kan dit er nu echt niet bij hebben", zegt de hooiman en hij masseert met zijn wijsvingers zijn slapen. Met een zwiep gooi ik de natte theedoek naar zijn hoofd.
"Het zit allemaal in je kop!", roep ik terwijl ik de gang in been.
"Ja! Wrijf het er maar in!", roept de hooiman me na.
"Ja!", hoor ik het meisje nog net "heel gemeen van jou!"

Ik sla de buitendeur achter me dicht.
Er waait een nat herfstblad tegen mijn wang. Laat maar plakken. Ze doen allemaal maar.
Ik sla op mijn zakken voor mijn sigaretten.
Eerst even wat frisse lucht door de filter trekken.

16:04


hoe laag zingt het koortje in de gangkast?

...mmmm....
...soep...





Naam
Email
Website
Onthouden?
Reactie (HTML is toegestaan):