Ik heb vandaag een onverwoestbaar goed humeur en dat steekt mooi af tegen de rest van de wereld.
Voorbeeld I
Ik fiets en ik wil links afslaan, maar een oudere mevrouw (zo eentje met een kleurig sjaaltje om haar hoofd, die "ik ben zo'n lekker gek mens" zegt bij het introductierondje van haar yogaclub, maar eigenlijk het liefst iedereen stiekem heel hard knijpt) is net bezig om me op haar fiets in te halen.
"Ik moet hier naar rechts, hoor!", roept ze met een zuunig mondje.
Misschien zie ik het verkeerd, dat zuunig mondje, dus ik glimlach heel breed.
"Oh, en ik moet hier links", lach ik, nu zelfs nog wat breder.
Ze trekt haar neus op en laat haar voortanden zien, als een konijntje.
Nee, als een bever.
Ik moet nu op de rem, anders botsen we.
Nee, als een rat.
"Pfuh!", doet ze terwijl ze me voorbij fietst en afslaat.
Voorbeeld II
Omdat de koffie van ons schrijverslokaal op school al een paar dagen op is, koop ik op weg er naar toe een pak. Eenmaal op school knip ik het pak open en kiep ik het om boven de koffiebus. De koffie valt als een baksteen uit het pak. Ik knipper met mijn ogen.
"Wat ben jij aan het doen?", vraagt een studiegenoot.
"Ik hak koffie", zeg ik, terwijl ik als een bezetene de brok koffie fijn probeer te hakken.
Ik zet koffie en ga achter de computer.
De koffie pruttelt lustig.
Ach, hoe zoet is het geluid van pruttelende koffie!
Als het pruttelen opgehouden is sta ik op met mijn kopje in de hand en loop ik naar het apparaat.
De koffiekan is leeg.
Als ik het lokaal rond kijk zie ik iedereen de stoom van hun mok blazen.
Voorbeeld III
Ik zit in de trein. Dit is de eerste treinrit van tien deze week die -I kid you not- geen vertraging heeft. Vandaag is een goede dag.
Ik heb mijn koptelefoon opgezet en ik slaap met mijn hoofd tegen het raam.
Er wordt op mijn schouder getikt en ik schrik op.
De conducteur.
Ik lach verontschuldigend, zo met opgetrokken wenkbrauwen en zo'n cartoon-tanden-laten-zien-lach.
"Sorry!", zeg ik als ik mijn koptelefoon van mijn hoofd aftrek.
Ik lach nog steeds en graai in mijn tas naar mijn knip.
Boven me bromt de conducteur.
"Ja, door die grote kóptelefoon van jou kun jíj me niet horen, nee."
Ik lach.
De conducteur maakt een grapje.
Ik kijk de conducteur aan.
De conducteur lacht niet, hij kijkt boos terug.
Hij draait zich van me weg en beent door de deur.
Voorbeeld IV
Ik kom thuis.
Ik heb het koud.
De verwarming is stuk.
"De kleine tegenslagen des levens", zegt de schipper z'n broer op de msn.
"Ik voel me nog steeds prima!", typ ik. Het typen gaat een beetje scheef, want ik heb hele koude handen.
"Misschien moet ik het daar juist van hebben."
Steekt mijn humeur zo fijn af.
Mijn fijne, goede, fijne humeur.







Goed voor jou! (en ook een beetje voor mij want ik wordt er w�l blij van!)
Dat had ik net even nodig. Ik moet morgen om 06:30 uur in Dukenburg zijn VOOR MIJN WERK. Wie verzint dat soort kwelling?! Ik had al in bed moeten liggen, maar hee... gelukkig treuzelde ik nukkig en las je stukje. En bedenk nu dat het morgenvroeg behalve nog donker vast ook nog heel koud is. *verwrongen grijnslach*
Gisteren in de boemel van Luik naar Maastricht: eerst kwam de Belgische conducteur, toen de marechaussee die onze i.d.kaarten wilden zien, daarna twee onderzoekers van reizigersonderzoek met hun scanners (ik doe nooit mee aan zoiets, maar ze scannen toch als ik zeg dat ik niet meedoe) en daarna de conducteur van de n.s.
Toen was ik het goed beu.