Mijn kamer is koud en de ketel is oud. Tel uit je winst.
De monteur zou tussen twaalf en twee komen.
Telefoon. De monteur zit vast. (Wat? Waar? In het verkeer? Aan een radiator? In een ketel?) De mevrouw aan de telefoon weet ook niet waaraan of waarin.
Dan, de bel. Een mannetje van een meter zestig stormt binnen. Hij praat niet, nee, hij schreeuwt.
"Goeiemorgen! Net uit bed?!", roept hij me toe en rent de gang in, dwarrelde blaadjes en een wolk stuifzand achter zich latend.
"Rechtsaf!", roep ik hem na.
Hij stormt de keuken in en rukt de deur van de geiser open. Die slaat met een klap tegen het raam. Hij rammelt aan de buizen. Ik ga naast hem staan en kijk over zijn schouder mee.
"De meter staat in het rood!" brult hij in mijn oor. Mijn haren wapperen in de wind.
In een snel schietgebedje dank ik de Here dat zijn vrouw hem geen filet amercain met uien op de boterham heeft gedaan vanochtend.
"Het probleem zit in de ketel boven!"
"We hebben geen ketel boven. We wonen op de begane grond", antwoord ik.
"Weet je dat zeker?!"
Och jee, nee, natuurlijk. Ik vergeet Malle Pietje op zolder nog al eens. Dat is ook zo'n stil menke.
"Jaanatuurlijkweetikdatzeker."
"Niet!", roept hij.
"Wel!", roep ik terug "We hebben geen geheime ketel!"
"Wel waar!", roept hij "Ik ga boven kijken!"
"We hebben geen boven!"
"Welles!"
Voordat ik iets kan zeggen staat hij buiten op de bel van de bovenburen te drukken.
"Volgens mij zijn ze niet thuis", zeg ik als ik eenmaal naast hem sta.
Hij rent weer naar binnen en al gauw hoor ik het geluid van twee vlijtige handen die zich al buizen-rammelend door het huis bewegen.
Ik besluit achter de computer te gaan zitten.
Soms stormt hij binnen om met een waterpomptang op de knoppen van mijn radiator te slaan. Dan weer vallen er stukjes plamuur van mijn plafond wanneer hij in de kamer naast mij bezig is.
"Er zit geen stroming in!" roept hij me toe wanneer hij naast me op de grond ligt en zijn oor tegen de verwarming drukt.
Nee, dat blijkt. Hij wordt namelijk niet warm, hartedief poppedijn.
Maar warempel, daar in de badkamer vindt de monteur een schijnbaar officieel ontluchtingspunt.
"Moet u hem dan niet ontluchten nu?", roep ik hem vanaf de computer toe.
"Nee!" roept de verwarmingsman.
Er zit namelijk geen stroming in en dan kan dat niet. Nee, natuurlijk niet. Domme ik. Hij stormt mijn kamer binnen.
"Je televisie moet aan de kant!"
Hij rammelt aan de kast en kijkt naar een stoffige buis die in het plafond verdwijnt.
"Ik moet ontluchten!"
Goh. Volgens mij is dat een heel goed idee, al begin ik wel het idee te krijgen dat ik bij de gastro-enteroloog zit.
"Ik pak deze ladder! Oké?!"
Hij grijpt de ladder van de hoogslaper. Die zit vast geschroefd. Hij rammelt nog een keer, om zeker van zijn zaak te zijn en dan rent hij weer met wapperende manen de deur uit.
Op naar zijn busje en alras komt hij terug met een keukentrapje. Hij schroeft, slaat en rammelt wat. Er klinkt een sissend geluid.
"Zo! Ik ga weer!"
En weg is hij.
Langzaam wordt de verwarming warm.
Ik kijk op de klok. Hoe zou hij straks nu thuis komen?
Zou hij zijn huis binnen rennen en zijn vrouw vastpakken? Haar door elkaar schudden? Naar het fornuis rennen en de gebakken piepers opschudden? En na het eten onder de douche rammelen aan z'neige pijpen?
Oh well.
Ik ga op de verwarming zitten met koffie. Fijn. Warm. Eindelijk.







he Han, wat schrijf je toch lekker, alsof het er zomaar allemaal vanzelf uit komt.
Vooral om dat voortdurende roepen moest ik erg lachen.
tuurlijk niks leuk, een koude verwarming. Maar de verhaaltjes daarover zijn dan wel weer heel erg leuk. Om eerlijk te zijn moest ik schateren om jouw koude verwarming. Sorry. Moet je het maar niet zo grappig opschrijven.
God, wat een tragisch verhaal. Ik heb nog steeds de tranen in m'n ogen staan...
van het lachen!