En we zingen allemaal maar gewoon weer mee!
Ja!
Kom maar, u ook, daar in die hoek.
Zing maar mee!
(Trekt eigen schouder tegen onderkaak, daar net onder het oor, en slaat met knuist tegen niemand in het bijzonders bovenarm. Liefst met tanden-op-elkaar-glimlach.)
Kom maar!
In koor!
Nee, nee, u ook!
Allemaaaaaal!
Er mág gedanst worden!
"I was having a sweet fix
Of a daydream of a boy
Whose reality I knew
Was a hopeless to be had
But then the dove of hope began its downward slope
And I believed for a moment that my chances were
Approaching to be grabbed
But as it came down near, so did a weary tear
I thought it was a bird, but it was just a paper bag
Hunger hurts, and I want him so bad, oh it kills
'Cause I know I'm a mess he don't wanna clean up
I got to fold 'cause these hands are too shaky to hold
Hunger hurts, but starving works, when it costs too much to love"
Sms Prei Aan naar 6464?
Wat nou sms Prei Aan?
Prei Aan?
Sms Prei Aan naar 6464?
Prei Aan?
Prei naar 64?
Prei Aan?
Prei Aan? Prei Aan? Prei Aan?
Sms Prei Aan?
"Hallo? Waar ben je?" hoor ik de hooiman vanuit de keuken roepen "je hebt nog geen koffie gezet!"
Ik lig met een dekentje op de bank en ik huil.
Het was het laatste wat ik deed toen ik vannacht naar bed ging (dronken, dat wel, dus dat telt eigenlijk niet) en vanochtend toen ik wakker werd.
Net ook onder de douche. Huilen onder de douche heeft zo weinig zin, bedacht ik mij terwijl ik met de straal in mijn nek mijn tanden probeerde te poetsen. En tanden poetsen krijgt ook een andere dimensie. Schuim prikt, kwijl niet.
"Ik ben hier," piep ik vanaf de bank.
De hooiman huppelt de woonkamer in.
"Ik ben verliefd!", roept hij, terwijl hij z'n armen uitstrekt.
"Heel erg verliefd. Ze heeft donker haar en blauwe ogen. En hele lange winpers. Als ze me zoent dan ontploft mijn buik. Ik wist niet dat ik dat kon, vlinders houden. Houden! Hebben is houden!"
Volgens mij moet de hooiman geen koffie meer drinken.
"Zet je nu nog koffie?", vraagt de hooiman.
"Volgens mij heb jij al genoeg koffie op", zeg ik vanonder het dekbed.
"Koffie? Koffie? Het is de liefde! Ik krijg ineens zoveel werk af op het werk. Vanochtend was ik om half zeven al uit de veren."
Ik kreun.
De hooiman dendert weer de kamer uit.
In de keuken hoor ik hem in de weer met koffiekan en kopjes.
"Zo", zegt hij als hij me een mok aanreikt "melk toch?"
Ik neem een slok. Mijn maag krimpt samen. Het lepeltje blijft nog net niet rechtop in de mok staan. Ondertussen is de hooiman mijn platencollectie door aan het spitten en af toe rent hij de gang op. Ik weet eigenlijk niet wat hij allemaal aan het doen is.
Hij moet vast veel plassen van al die liefde.
Is weer eens wat anders dan tranen.
"Waarom zit je eigenlijk niet in de keuken?", vraagt hij "je zit altijd in de keuken. Ik had net zo'n zin in soep."
"Ik heb pijn", zeg ik.
De hooiman kijkt naar mijn volle mok die koud is geworden naast de bank.
"In je buik? Ben je ziek?"
"Overal."
Het is even stil. De hooiman houdt zijn hand tegen m'n voorhoofd.
"Je bent helemaal warm."
"De schipper is weggevaren", zeg ik "hij komt niet meer terug."
"Ach, de vorige keer kwam hij ook gewoon weerom."
"Nee, deze keer niet. Ik heb het hem gevraagd. Hij zei dat hij niet meer terug kwam."
Ik begin weer te huilen.
"Ach", zegt de hooiman "ik heb je nog nooit zien huilen."
"Ach", zeg ik "maak maar een foto."
"Ach", zegt de hooiman.
Ik huil harder nu. Ik kan niet meer zo goed praten.
"Ach", zegt de hooiman en hij tilt me met deken en al op.
Met mij als een bundeltje lappen in zijn grote armen loopt hij met me de tuin in.
Ik word gewiegd, want zijn lijf dat schommelt zo fijn.
Eenmaal buiten blijft hij staan.
Er schijnt wat zon op mijn gezicht.
En zo staan we daar, buiten in de wind.
"Now that I've met you
would you object to
never seeing each other again
cause I can't afford to
climb aboard you
no one's got that much ego to spend
So don't work your stuff
because I've got troubles enough
no, don't pick on me
when one act of kindness could be
deathly
deathly
definitely
Cause I'm just a problem
for you to solve and
watch dissolve in the heat of your charm
but what will you do when
you run it through and
you can't get me back on the farm
So don't work your stuff
because I've got troubles enough
no, don't pick on me
when one act of kindness could be
deathly
deathly
definitely
You're on your honor
cause I'm a goner
and you haven't even begun
so do me a favor
if I should waver
be my savior
and get out the gun
Just don't work your stuff
because I've got troubles enough
no, don't pick on me
when one act of kindness could be
deathly
deathly
definitely"
Wat interesseert mij dat nou dat u nu niet kan lopen!
Meneer?
Oh, sorry.
Nee, heus.
Sorry.
Ja.
Maar ik liet iets.
Ja.
Sorry.
Ik liet het vallen.
Ja.
Sorry.
G'woon, ja.
Beetje verstrooid.
Nee.
Ja.
Onnozel, ja.
Nee, ach.
Het geeft niks.
Nee, nee.
Maar til even op die voet.
Ja, sorry.
Nee, heus.
Ik merk er niks van.
Nee, nergens last van.
Gewoon.
Auw.
AUW!
Bij nader inzien.
Laat maar staan.
Staat prima daar, uw voet.
Neu, neu.
't Is niks.
G'woon.
Oh, nee, sorry.
Laat maar staan
Gewoon laten staan.
STAAN LATEN!
...
Prima.
Jaja.
Hmm, wat?
Nou, g'woon, m'n hart.
Neu, neu.
Prima, zo.
Laat maar staan.
Ik had het al eens vaker over Eva.
Als Eva voorleest is iedereen stil.
Ze vertelde over van dat ze op zich ergens dan nu ineens terwijl iedereen er een heeft toch ook maar een weblog had genomen. Vanmiddag tijdens een koffie-tik, tijdens een middag vol regen, tijdens haar eerste sigaret na twee dagen gestopt.
"Ik schrijf wel een stukje over je!", riep ik.
"Ach", zei Eva.
"Gewoon een stukje", zei ik.
"Ach nee", zei Eva "ik weet vaak niet wat of hoe ik schrijven moet. Het is eng dat iedereen het zomaar kan lezen."
"Je schrijft zo fijn", zei ik.
"Ach nee", zei Eva.
Woensdagmiddag jongstleden zijn de autoriteiten overgegaan tot het in voorlopige hechtenis nemen van Anna H., beter bekend als het meisje dat op dinsdag het bier schenkt. Dit naar aanleiding van een poging tot het plaatsen van een kneedbom. Ook was met verf 'MIJN FIETS TERUG!' en 'WAAR WAS MIJN GELE BRIEFJE?' op de gesloten rolluiken van de fietsenopslag van Bureau Toezicht geschilderd.
Door uw correspondent ter plaatse
Het arresteren van Anna H. verliep moeizaam, aangezien de 26-jarige Nijmeegse een brandende vlag met het gemeentewapen vast had. Daarbij scandeerde ze bedreigende leuzen jegens de medewerkers. Woordcombinaties als "...in je hol!", "brand in de hel, vuile nazi's" en "your mother sucks..." (van alles en nog wat in de hel, afijn, we hebben allemaal the Exorcist gezien) waren niet van de lucht.
Wij vroegen de woordvoerder aldaar onder het genot van een kopje Senseo om repliek. "Zij weet zelf gewoon ook heus wel dat ze die fiets daar niet neer mag zetten", aldus de heer Nico S. Bollebroek "Wij nemen het ding dus dan ook gewoon mee. Dat wij gewoon een hek om haar fietsenstalling, die natuurlijk gewoon van ons is en helemaal niet van haar, zetten, mogen wij natuurlijk gewoon lekker zelf weten. En wij mogen ook gewoon zelf weten of we daar van tevoren mededeling via een bord of iets dergelijks van doen. Zodat mensen daar gewoon rekening mee kunnen houden als ze in alle vroegte naar het station fietsen. Wij mogen dat gewoon lekker zelf weten en wij hebben besloten dat gewoon lekker niet te doen. Het is ónze fietsenstalling en het is óns station. Dat zij zo hard loopt te schreeuwen dat ze al anderhalf jaar haar fiets gewoonweg wél in het rek zet, nou, daar hebben wij gewoon echt helemaal geen boodschap aan."
De familie van Anna H. was voor commentaar niet bereikbaar. Anna zelf stak door het getraliede raampje van de politiewagen een bleek en koud middelvingertje naar uw correspondent. Het domme wicht moet het zelf maar weten.
"En hier om de hoek was dan het hotel van Bart en mij."
"Wat fijn, zo centraal."
"Ja, ach."
"Ach?"
"Nou ja, de ingang van het hotel bleek in een wapenwinkel te zitten."
De hooiman is stil. De hooiman is normaal nooit stil. Normaal praat hij aan één stuk. Vandaag niet.
Het is wel fijn, zo stil.
"Het is wel fijn zo, stil", zeg ik.
Hij heeft zijn dikke vingers rond zijn mok en ik sta aan het fornuis.
Ik roer in de soep.
Snij prei.
Gooi af en toe een klets koffie in de hooimans mok.
"Volgens mij heb ik een tumor", zegt de hooiman ineens, alsof dat moment de enige seconden waren waarin het van het universum toegestaan was om ze te zeggen.
Hij schraapt zijn keel. Op de manier waarop mijn vader altijd zijn keel schraapte als er weer een Fa-reclame op de televisie was.
"Wat is een tumor?", vraagt het meisje.
(Oh ja, weet u nog? Dat meisje voor de deur? Haar de deur uitwerken is tot dusver niet gelukt. Ze heeft op een gegeven moment zelf de meterkast maar uitgeruimd en ingericht, toen ze de bank moe was. Ze smeert veels te veel stroop op haar brood, maar verder zorgt ze prima voor zichzelf...
Dat is eigenlijk ook helemaal niet gezond, denk ik nu zo. Zo'n klein meisje dat al helemaal voor zichzelf zorgt. Er moet toch eigenlijk iemand zijn die de haren van zo'n deerndel kamt. Ik doe het niet.
Afijn, dat is een heel ander verhaal. Het punt is dat ze dus ook aan tafel zit. Daar zit ze nu eenmaal 's middags, om roosvicee te drinken en plakhanden te krijgen.
Maar goed, verder met het verhaal.)
"Wat is een tumor?", vraagt het meisje.
Ze kijkt op. Haar kin is nat, ze drinkt haar roosvicee graag uit een soepkom met één oor. De hooiman zucht.
Hij deelt mij niet graag.
"En wat doe jij hier eigenlijk?", zegt de hooiman terwijl hij over de tafel heen naar haar toe buigt "ik ken jou helemaal niet."
"Ik woon hier in de gangkast. Het koordje van het peertje hangt tot op de grond, dus ik hoef mijn bed niet uit als ik het licht uit wil doen."
"Dus jij woont hier in de gangkast", snuift hij "en je hebt een lampje met een koordje bij je bed."
"Gehad van haar", ze wijst naar mij " en er hangt een kraal aan het eind."
"Nou, leuk is dat. Ik krijg nooit niks hier."
"Je mag ook wel een keer", zegt het meisje "maar jij hebt toch al een tumor gehad?"
"Ik kook gewoon die soep en niemand heeft hier een tumor gehad", zeg ik en ik brand mijn lip aan de soep die ik proef.
Ik vloek.
"Dat heb jij niet gehoord", zegt de hooiman tegen het meisje.
"Wat is een tumor?"
Ik heb mijn bovenlip in mijn mond gezogen en ik kijk de hooiman aan. Ik hef vragend mijn wenkbrauwen op. Met een theedoek dep ik de plas roosvicee van het tafellaken.
"Dat is zo iets als kanker", zegt de hooiman bits "en daarom heb ik ook liever niet meer dat zij loopt de roken in de keuken als ik koffie kom drinken."
"Ik bepaal nog altijd lekker zelf wel of ik in de keuken loop te roken als jij koffie komt drinken."
"Weet jij wel dat ik nu heel veel frisse lucht nodig heb?"
"Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?"
"Weet jij wel hoe erg dood ik van jouw rook ga?"
"Weet jij wel hoe erg jij kan zeuren?"
"Ik zeur niet, ik weet alleen dat ik van jou steeds heel erg meerook."
"Jullie lijken wel een potje ping pong!", zegt het meisje "ping, pong, ping, pong."
Triomfantelijk houdt ze een koekepan omhoog.
Ik sla het deksel met een klap op de soeppot.
"Nou. Klaar. Jij pakt zelf maar, dat gaat prima met die stomme tumor van je en die dikke armen. En jij, met je vlechten, waag het niet om weer een hele landkaart op dat tafellaken te maken."
"Ik kan dit er nu echt niet bij hebben", zegt de hooiman en hij masseert met zijn wijsvingers zijn slapen. Met een zwiep gooi ik de natte theedoek naar zijn hoofd.
"Het zit allemaal in je kop!", roep ik terwijl ik de gang in been.
"Ja! Wrijf het er maar in!", roept de hooiman me na.
"Ja!", hoor ik het meisje nog net "heel gemeen van jou!"
Ik sla de buitendeur achter me dicht.
Er waait een nat herfstblad tegen mijn wang. Laat maar plakken. Ze doen allemaal maar.
Ik sla op mijn zakken voor mijn sigaretten.
Eerst even wat frisse lucht door de filter trekken.
Zat in de trein te schrijven.
En ineens was daar Lent.
Had heel niet eens gemerkt dat ik in Ernhem was geweest.
Had een nieuw hooiman-verhaal geschreven.
Maar nu is het laat.
En ik stond veel te vroeg op.
Had maar twee en een half uur slaap.
En de dag was zo lang.
Hoe kunnen liedjes toch ineens in je kop zitten?
Dat als je 's avonds laat na oké-hup-dan-toch-één-biertje-dan op je fiets naar huis zit, je ineens zingt. Ineens zingt en de tweede en de derde stem tegelijk wilt doen. De hoofdvocaal (is dat een Nederlands woord? Het klinkt als een drankje, nee, als een advocaatje) en de koortjes in één keer zou willen kunnen zingen.
En ik ben niet eens van de sixties-muziek.
En ik hoorde het niet eens in de kroeg.
"Take a load off Fanny. Aaaaaand, aaaaand, aaaaand.... you can put the load right on me!", galmde het door de van de Havenstraat.
***
"I pulled into Nazareth, was feelin' about half past dead;
I just need some place where I can lay my head.
"Hey, mister, can you tell me where a man might find a bed?"
He just grinned and shook my hand, and "No!", was all he said.
Take a load off Fanny, take a load for free;
Take a load off Fanny,
And (and) (and) -Keek! De koortjes!- you can put the load right on me.
I picked up my bag, I went lookin' for a place to hide;
When I saw Carmen and the Devil walkin' side by side.
I said, "Hey, Carmen, come on, let's go downtown."
She said, "I gotta go, but m'friend can stick around."
Go down, Miss Moses, there's nothin' you can say
It's just ol' Luke, and Luke's waitin' on the Judgement Day.
"Well, Luke, my friend, what about young Anna Lee?"
He said, "Do me a favor, son, woncha stay an' keep Anna Lee company?"
Crazy Chester followed me, and he caught me in the fog.
He said, "I will fix your rack, if you'll take Jack, my dog."
I said, "Wait a minute, Chester, you know I'm a peaceful man."
He said, "That's okay, boy, won't you feed him when you can."
Catch a cannon ball now, t'take me down the line
My bag is sinkin' low and I do believe it's time.
To get back to Miss Fanny, you know she's the only one.
Who sent me here with her regards for everyone."
"Let go. Lady, would you please let go?"
Hij trok met zijn been.
Ik vond dat hij nog behoorlijk beleefd bleef.
"Lady, please. Your dress is getting all wet. I really have to get on the coach."
Hij probeerde te lopen. Het was nog een hele klus.
Het was nog maar een meter of vier naar de bus.
Maar geen haar op mijn hoofd.
Ik voelde het asfalt van de parkeerplaats over mijn benen schuren.
Mijn jurk hing om mijn middel, naar ik aannam.
Maar geen haar op mijn hoofd.
Ook geen sluier.
Die had ik aan een struik verloren.
Zo sleepte ik aan zijn been mee naar de deur van de bus, die sissend open ging. Hij zette een voet op de tree, greep zich stevig vast aan de leuningen en begon te schudden met het been waar ik aan hing.
Het was verdomd lastig om vast te blijven houden.
Een behoorlijke hamstring voor zo'n smal mannetje, daarbij regende het flink mijn ogen in. Misschien de volgende keer toch wat minder enthousiast met de pincet in de weer gaan, schoot het door mijn hoofd.
Ik huilde heus niet.
En al helemaal niet met kwijl.
Ik gleed steeds lager. Rook het leer van zijn fijne schoenen. Haakte mijn vingers in zijn sok.
"I really have to go!"
"I know", riep ik "I knooooow. Don't! Stay! Please. Won't you stay?"
"No, I have to. Now!"
"Can I come? Can I come? Can I?"
Ik keek omhoog. De regen had sterretjes tussen mijn wimpers gemaakt. Rond het lichtje in de bus boven de chauffeur. Die rookte verveeld een peuk.
Mijn handen nog om de punt van de schoen. Ik drukte mijn wang tegen het leer.
Hij trapte.
Zand knarste tussen mijn tanden.
Als 'n ware Rocky spatte 't spuug uit mijn mond.
Ik liet los.
"Go!", riep hij tegen de chauffeur. De motor gromde en de bus begon te rollen.
Ik viel op mijn rug.
"Go marry somebody else!", riep hij met zijn handen op de posten van het portier. Sufjan draaide zich om.
De deur siste weer en sloot langzaam.
De bus reed weg.
Sterretjes rond de achterlichten.
Ik rolde op mijn zij. Mijn bruidsboeket lag verderop op de stoep in een plas en de ring was ik ook al kwijt.
Door de achterruit keek de jongen die de trompet speelde.
Hij schudde zijn hoofd.
***
Er struikelden vandaag een groot aantal mensen over mijn tas. Dit gebeurt anders nooit.
***
Ik had een bijeenkomst met het-eerst-zo-verguisde-maar-nu-toch-wel-leuke-dankzij-onze-fijne-groepsgenoten-Tekst-&-Beeld-project.
Het was fijn. We moesten lachen.
Na een brainstorm kwam Yvonne met een link.
Ik geloofde het niet, toen ik het hoorde.
Ik beloofde het te gaan bekijken zodra ik thuis was.
Het was zoals dit.
Zo was het.
Met veel foto's.
Veel advies.
Ze noemen het Thinspiration.
*** D'n Lee was sip en Niek en ik hielpen haar met sjouwen. Van meubels dat is. Haar kamer kan vanaf heden niet méér Feng Shui zijn dan dat 'ie nu is.
***
We gingen toch nog maar uit, want P de DJ wilde dat zo graag. Uiteindelijk bleken we het zelf achteraf ook nog heel graag te hebben gewild.
***
Ik ging vroeg naar huis. Ik was niet dronken, ik was moe. Ik wilde naar bed.
***
Ik ging niet naar bed. Ik surfte op een website.
***
Het is nu laat. Nee, vroeg. De website van de bovenstaande foto, dus.
Het houdt me bezig.
Het ergert me.
Maar ik snap het.
Ik begrijp het niet.
Ach, ik zal verder niet in litanieën uiteenvallen.
Dit doet van alles.
Neig ik naar betutteling?
Nee?
Ja?
Wat u?
Ondertussen heb ik van de fijne Fietsenkelderman (bij de gemiddelde vrouwelijke fietsende Nijmegen-oost bewoner alom bekend) ein gans neues altes Fahrrad bekommen. Een heule fijne met rokzadel, wat wel kut (wat een vreemde woordkeuze op deze plek) zit, maar goed is voor mijn rokken. Ik draag namelijk bijna nooit broeken. Maar dat geheel ter zijde.
Gauw te bedde! Na een avond bierschenken is het wel heel vroeg straks. Half zeven gaat de wekker. Ik hoor gaandeweg de dag gaarne van jullie hoe zielig ik ben.
Mijn kamer is koud en de ketel is oud. Tel uit je winst.
De monteur zou tussen twaalf en twee komen.
Telefoon. De monteur zit vast. (Wat? Waar? In het verkeer? Aan een radiator? In een ketel?) De mevrouw aan de telefoon weet ook niet waaraan of waarin.
Dan, de bel. Een mannetje van een meter zestig stormt binnen. Hij praat niet, nee, hij schreeuwt.
"Goeiemorgen! Net uit bed?!", roept hij me toe en rent de gang in, dwarrelde blaadjes en een wolk stuifzand achter zich latend.
"Rechtsaf!", roep ik hem na.
Hij stormt de keuken in en rukt de deur van de geiser open. Die slaat met een klap tegen het raam. Hij rammelt aan de buizen. Ik ga naast hem staan en kijk over zijn schouder mee.
"De meter staat in het rood!" brult hij in mijn oor. Mijn haren wapperen in de wind.
In een snel schietgebedje dank ik de Here dat zijn vrouw hem geen filet amercain met uien op de boterham heeft gedaan vanochtend.
"Het probleem zit in de ketel boven!"
"We hebben geen ketel boven. We wonen op de begane grond", antwoord ik.
"Weet je dat zeker?!"
Och jee, nee, natuurlijk. Ik vergeet Malle Pietje op zolder nog al eens. Dat is ook zo'n stil menke.
"Jaanatuurlijkweetikdatzeker."
"Niet!", roept hij.
"Wel!", roep ik terug "We hebben geen geheime ketel!"
"Wel waar!", roept hij "Ik ga boven kijken!"
"We hebben geen boven!"
"Welles!"
Voordat ik iets kan zeggen staat hij buiten op de bel van de bovenburen te drukken.
"Volgens mij zijn ze niet thuis", zeg ik als ik eenmaal naast hem sta.
Hij rent weer naar binnen en al gauw hoor ik het geluid van twee vlijtige handen die zich al buizen-rammelend door het huis bewegen.
Ik besluit achter de computer te gaan zitten.
Soms stormt hij binnen om met een waterpomptang op de knoppen van mijn radiator te slaan. Dan weer vallen er stukjes plamuur van mijn plafond wanneer hij in de kamer naast mij bezig is.
"Er zit geen stroming in!" roept hij me toe wanneer hij naast me op de grond ligt en zijn oor tegen de verwarming drukt.
Nee, dat blijkt. Hij wordt namelijk niet warm, hartedief poppedijn.
Maar warempel, daar in de badkamer vindt de monteur een schijnbaar officieel ontluchtingspunt.
"Moet u hem dan niet ontluchten nu?", roep ik hem vanaf de computer toe.
"Nee!" roept de verwarmingsman.
Er zit namelijk geen stroming in en dan kan dat niet. Nee, natuurlijk niet. Domme ik. Hij stormt mijn kamer binnen.
"Je televisie moet aan de kant!"
Hij rammelt aan de kast en kijkt naar een stoffige buis die in het plafond verdwijnt.
"Ik moet ontluchten!"
Goh. Volgens mij is dat een heel goed idee, al begin ik wel het idee te krijgen dat ik bij de gastro-enteroloog zit.
"Ik pak deze ladder! Oké?!"
Hij grijpt de ladder van de hoogslaper. Die zit vast geschroefd. Hij rammelt nog een keer, om zeker van zijn zaak te zijn en dan rent hij weer met wapperende manen de deur uit.
Op naar zijn busje en alras komt hij terug met een keukentrapje. Hij schroeft, slaat en rammelt wat. Er klinkt een sissend geluid.
"Zo! Ik ga weer!"
En weg is hij.
Langzaam wordt de verwarming warm.
Ik kijk op de klok. Hoe zou hij straks nu thuis komen?
Zou hij zijn huis binnen rennen en zijn vrouw vastpakken? Haar door elkaar schudden? Naar het fornuis rennen en de gebakken piepers opschudden? En na het eten onder de douche rammelen aan z'neige pijpen?
Oh well.
Ik ga op de verwarming zitten met koffie. Fijn. Warm. Eindelijk.
"Wat dan?"
"Ik ben gewoon kont chagrijnig!"
"Wat is er dan?"
"Ik ben gewoon kwaad! En ik heb het KOUD! Ik had zó'n goed humeur. Ik had een kei goed humeur. De hele dag een goed humeur en alles gaat mis en niks aan de hand en dan ineens is er de druppel."
"De druppel?"
"Ja! De druppel, ja! En nou gaan Lee en ik met z'n tweeën!"
"Dat is toch gezellig?"
"HEEL! Maar nou kan er één van ons niet drinken."
"Dan gaan jullie toch met de trein?"
"Ik wil niet met de trein!"
"Je hoeft toch niet te drinken?"
"Jawel! Dat is GEZELLIG!"
"Inderdaad. Je bent inderdaad ook heel ongezellig als je niet drinkt."
"God! Snotjong."
"Inderdaad. Ik heb ook nooit zin je als je nuchter bent."
"Jij! Aan jou heb ik ook niks!"
"Dat is waar. Maar ik moet nu echt onder de douche, anders kom ik te laat."
"Ik voel me kut! Zeg iets fijns!"
"Moet ik nou ineens iets fijns zeggen."
"Ja. Zeg iets fijns. Los het op. Nu."
"Nou moet ik het oplossen."
"Jezus! Wat heb ik nou aan jou!"
"Mens, wat zit jij jezelf in de weg."
"Lach niet!"
"Hoeoeoeoeoe! Bent u boos? Ik krijg alleen maar zin om je nog meer op de kast te jagen."
"Aargh! JIJ! Laaaaat ook maar! Ik heb helemaal niks aan jou! Nou, dàhàg."
"Lees je msn maar."
"De pc staat al uit, zak hooi. Zeg het maar gewoon. Djiez."
"Dat er vannacht hier een verwarmde kamer gereserveerd is."
"Oh." (Stilte)
"Maar nu moet ik echt onder de douche. Ik zit op houten kolen."
"Hete kolen."
"Jezus! Mens! Jij ook altijd! Ik ga onder de douche!"
Ik heb vandaag een onverwoestbaar goed humeur en dat steekt mooi af tegen de rest van de wereld.
Voorbeeld I
Ik fiets en ik wil links afslaan, maar een oudere mevrouw (zo eentje met een kleurig sjaaltje om haar hoofd, die "ik ben zo'n lekker gek mens" zegt bij het introductierondje van haar yogaclub, maar eigenlijk het liefst iedereen stiekem heel hard knijpt) is net bezig om me op haar fiets in te halen.
"Ik moet hier naar rechts, hoor!", roept ze met een zuunig mondje.
Misschien zie ik het verkeerd, dat zuunig mondje, dus ik glimlach heel breed.
"Oh, en ik moet hier links", lach ik, nu zelfs nog wat breder.
Ze trekt haar neus op en laat haar voortanden zien, als een konijntje.
Nee, als een bever.
Ik moet nu op de rem, anders botsen we.
Nee, als een rat.
"Pfuh!", doet ze terwijl ze me voorbij fietst en afslaat.
Voorbeeld II
Omdat de koffie van ons schrijverslokaal op school al een paar dagen op is, koop ik op weg er naar toe een pak. Eenmaal op school knip ik het pak open en kiep ik het om boven de koffiebus. De koffie valt als een baksteen uit het pak. Ik knipper met mijn ogen.
"Wat ben jij aan het doen?", vraagt een studiegenoot.
"Ik hak koffie", zeg ik, terwijl ik als een bezetene de brok koffie fijn probeer te hakken.
Ik zet koffie en ga achter de computer.
De koffie pruttelt lustig.
Ach, hoe zoet is het geluid van pruttelende koffie!
Als het pruttelen opgehouden is sta ik op met mijn kopje in de hand en loop ik naar het apparaat.
De koffiekan is leeg.
Als ik het lokaal rond kijk zie ik iedereen de stoom van hun mok blazen.
Voorbeeld III
Ik zit in de trein. Dit is de eerste treinrit van tien deze week die -I kid you not- geen vertraging heeft. Vandaag is een goede dag.
Ik heb mijn koptelefoon opgezet en ik slaap met mijn hoofd tegen het raam.
Er wordt op mijn schouder getikt en ik schrik op.
De conducteur.
Ik lach verontschuldigend, zo met opgetrokken wenkbrauwen en zo'n cartoon-tanden-laten-zien-lach.
"Sorry!", zeg ik als ik mijn koptelefoon van mijn hoofd aftrek.
Ik lach nog steeds en graai in mijn tas naar mijn knip.
Boven me bromt de conducteur.
"Ja, door die grote kóptelefoon van jou kun jíj me niet horen, nee."
Ik lach.
De conducteur maakt een grapje.
Ik kijk de conducteur aan.
De conducteur lacht niet, hij kijkt boos terug.
Hij draait zich van me weg en beent door de deur.
Voorbeeld IV
Ik kom thuis.
Ik heb het koud.
De verwarming is stuk.
"De kleine tegenslagen des levens", zegt de schipper z'n broer op de msn.
"Ik voel me nog steeds prima!", typ ik. Het typen gaat een beetje scheef, want ik heb hele koude handen.
"Misschien moet ik het daar juist van hebben."
Steekt mijn humeur zo fijn af.
Mijn fijne, goede, fijne humeur.
Naast me zitten twee dames in de trein.
Ze eten een zacht bolletje met kaas uit een plastic zakje.
"Dat vind ik nou zo mooi. Kijk toch eens uit het raam, Annie. Wat een prachtig glooiend landschap. Wat is de Nederlandse natuur toch mooi."
Ik kijk naar buiten.
Ik wil ook wel eens zien wat er zo mooi is aan het Hollandsch landschap.
Buiten trekt een golfbaan aan de trein voorbij.
"Bent u zich bewust van het feit dat uw wenkbrauwen in elkaar doorlopen?"
"Ik snap niet dat u nog lacht."
"Ik ben wakker."
"Mevrouw, waarom? Waarom? Waarom die broek en dan recht voor mij in de trein zitten?"
"Ik zei toch geen cacao? Zei ik geen cacao? Ik dacht geen cacao."
"Mag ik op je bank? En dan af en toe een aai?"
"Ik ben wakker."
"Ende het voedschsaemeontbijt: vermenge de ibuporfen en de renniesch met den melck in den kom."
"Ik ben wakker."
"Ik ben wakker."
En zo net scheen het zonlicht door de plotse regenbui.
Zo mooi dat ik niet onder het afdakje ging.
Ik ben wakker.
Ik ben wakker.