In de asbak rookt een sigaret. Het bier wordt langzaamaan schraal vanwege haar vettige lippen.
Ik poleer een rijtje wijnglazen.
Haar huid glimt en haar lippenstift is uitgelopen. Geblondeerd haar in een wild knotje en een dikke zwarte kohlrand rond haar ogen. Haar onderste oogleden hangen lager dan normaal. Maar wat is normaal? Een glas schraal bier?
Ze heeft nicotineaanslag in de haartjes rechts boven haar bovenlip. Ze likt ze, haar lippen, en blaast een wolk rook via haar mondhoek weg.
"Het is een abnormale positie, waar ik in zit", zegt ze "hij's al jaren niemeer met iemand geweest. Niet zoals nu. Niet al zo lang. Dat weet jij net zo goed als ik."
"Nou, prima toch?", zeg ik "lijkt me heel fijn voor je, misschien heb je het gewoon verdiend."
"Nee. Niks prima." Ze puft haar rook weer en drukt gehaast haar half ongerookte peuk uit. De sigaret knakt.
"Niks prima. 'k Wor' d'r gek van. Ik kan geen pijl er op trekken. Ik wor' zo onzeker. Ik ben nooit onzeker. En nu ben ik onzeker. Ik heb helemaal geen zin om onzeker te worren. Ik heb het allemaal prima voor elkaar. Loop ik hier een beetje onzeker te worren."
"Jij lijkt me helemaal geen onzeker typ." Ik krab aan mijn kaak, kijk met een schuin oog naar de klok. Nog maar een uur.
"Nee. Bennik ook niet. Maar de ene dag dan aait 'ie en doet 'ie. Gaat de telefoon. En sommige dagen, dan hoor ik niks. Dan bel ik en hoor ik niks terug. En dan wor' ik boos. Laaiend."
Haar aansteker knerpt.
"Laaaiend", zucht ze met de rook mee "maar zodra de telefoon weer gaat, of de bel, dan ben ik al het laaien alweer vergeten. Dan laait er weer wat anders." Ze lacht hard en hees en er zit ergens onderin een piepje wat, naar ik schat, de hoestbui veroorzaakt waar haar gelach in overgaat. Het hoesten sterft weg. Ze lacht niet meer. Haalt haar neus op.
"Gisteren vroeg hij hoe het met je was", zeg ik.
"Gisteren? Hier?"
"Ja, gistermiddag. Hier."
"Uit zichzelf?"
"Ja, natuurlijk uit zichzelf."
"Uit zichzelf? Heus?"
"Uit zichzelf, dat zeg ik toch?"
"Dat is helemaal niet des hem."
"Hij vroeg het echt. Hoe het met je was."
"Gisteren?"
"Ja, gisteren."
"Goh."
Ze neemt een slok van haar fluitje.
"Ik heb hem nog nooit zo gezien", zeg ik.
"Watte?"
"Dat ik hem nog nooit zo heb gezien."
"Hoe heb gezien? Ik wor' gek."
"Nou ja, als het over jou gaat."
"Gaat het over mij?"
"Nou ja, soms."
"Wat zegt 'ie dan?"
"Nou niks, maar dan glimlacht 'ie."
"Dan glimlacht 'ie?"
"Hoe lang werk ik nou al hier? Vijf en een half jaar? En hij heeft altijd wel dames gehad, maar daarbij had ik niet eens de tijd om de naam te onthouden, zo kort. Zoals nu heb ik hem nog nooit gezien. Zoals hij soms kijkt als je naam valt. Of hoe hij soms doet als je binnenkomt. Hij is ook maar gewoon een man die het niet gewoon is. Zo met iemand."
"Goh."
Ze staart in haar glas.
"Voel je je nu al beter?"
Ze grijpt naar haar sigaretten. Stoot haar bier om in de zwaai. Ze slaakt een geërgerde zucht en veegt zenuwachtig haar broek droog met de doek die ik haar aanreik. Uit haar tas pakt ze haar portemonnee en gooit wat geld op de toog.
Ze staat op. Trekt haar kleren recht.
"Weet je wat het is? Het zou me allemaal op moeten luchten. Maar ik krijg alleen maar meer het gevoel dat ik op een tijdbom leef."
Ze beent de zaak uit.
Mijn rijtje wijnglazen is schoon.
In mijn ooghoek zie ik de deur openzwaaien. Het is hem.
Hij gaat zitten. De kruk moet nog warm zijn van haar achterste.
"Alles goed?" vraag ik.
"Prima", zegt hij met een glimlach "eigenlijk gaat het de laatste tijd prima met me." Hij lacht zijn tanden nu bloot.
Ik zet een glas voor hem neer en kijk weer naar de klok.
Nog maar even.







En zo lopen ze elkaar steeds net mis?
en wat een fijne achtergrondmuziek voor deze soap aflevering. tnx!