Vannacht at ik frietjes van de mcDonalds op de bank.
Een hamburger en sla.
(Ik blijf een meisje, wij meisjes willen altijd overal sla bij. Wij denken dat we daar dun van worden).
Ik had de hele avond in het park gestaan en daarna nog naar de koelste tent van het moment.
(De broer en ik kwamen er achter dat we bij de airco wolkjes in de lucht konden blazen.)
Het was zo'n avond.
Zo'n fijne.
Overal druk, en toch steeds iedereen tegen komen.
En een biertje drinken* en kletsen.
En heel veel lachen.
Toen met een papieren zak aan de fiets, waar de alom bekende rubberen broodjeslucht uit kwam, naar huis.
Ik picknickte op de bank.
Keek de herhaling van Netwerk.
Over kindsoldaten in Oeganda.
Met afgehakte neuzen.
En lippen.
Zat ik daar.
Ik keek.
Naar de televisie.
Naar de luxe voor me.
Mijn handen met eten.
Mijn handen waar altijd zoveel geklaag uit rolt.
Mijn mond.
Die kauwde.
Mijn mond waar altijd zoveel geklaag uit komt.
Heus, misschien raar. Het eten smaakte me nog steeds. Ook zette ik de reportage niet af.
Maar het contrast hing daar, tussen mijn ogen en de tv.
Als een steen aan een draadje.
Ik kauwde door en probeerde op mijn allerbest alles van elke hap te proeven.
Van alles wat ik heb.
Van de decadentie van mijn leven.
Ik ben een kind van mijn tijd.
Straks begeef ik me weer in het gedruis daar buiten.
De decadentie van mijn tijd.
Ik ben een kind van mijn tijd, terwijl ik hier zo zit. Terwijl ik dit stukje tik.
* Ja, sorry hoor...







Maar zo is de wereld. Je gaat dood en op hetzelfde moment wordt een kind geboren.
Het maakt pas wat uit als je wat doet. Melancholie slaat vaak alleen maar dood. Genieten van wat je hebt is wel een plicht. Schrok ook van Oeganda. Leger van de heer, my ass. Machtsmisbruik is toch wel het allerergste.
Schaam me dat ik zulke mensen eigenlijk doodwens, maar weet niet wat ik anders moet.
Raar hé.. Dan zitten we daar maar. En dan kauwen we.