Wat vergeet ik toch vaak hoe fijn het is om fysiek helemaal afgepeigerd te zijn.
Dit weekend repeteerde ik met onze straattheatergroep in een voormalig hotel in Twello. Een gigantisch wit huis aan de rand van het dorp, bevolkt door rockers, hippies, kluizenaars en kunstenaars. Oh ja, en een Zuid-Afrikaan, maar die geheel ter zijde.
Echt vreemd, in dit huis leken alle mensen iedere dag uitgebreid te koken. Ik zag ze sinaasappelsaus maken, vier uur aan de keukentafel (serieus!) wachten op een stoofpot, knoflookbrood en dadeltaart bakken en grote bossen verse peterselie heen en weer slepen.
Steek ik een beetje sneu bij af, als ik zelf zo bijna dagelijks boven mijn sla met cashewnoten hang.
Hmmm.
Geen zin om te koken, geen tijd, geen honger.
Onzin, natuurlijk.
Maar ook dit, wederom, geheel ter zijde.
In de zaal trokken we ons decor op. Het regende pijpenstelen en dat zou het volgens de weerberichten het hele weekend blijven doen. We repeteerden daar van twaalf tot twaalf en de dag erna van half tien tot twaalf. Om drie uur zouden er wat genodigden komen kijken en hals over kop besloten we toch buiten te gaan spelen.
Schijt zon.
Altijd weg zijn als je er in wilt zitten en altijd gewoon gaan lopen schijnen als je net iets van acht jaar van je leven hebt besteed aan opbouwen van een decor in een zaal. Bijna m'n nek gebroken, terwijl ik op een ladder stond die niet tegen een muur steunde, maar werd vastgehouden door mijn twee fijne medespelers.
Afijn.
Opbouwen, sjouwen, spelen en afbreken.
Gaat een meisje als ik niet in de kouwe kleren zitten.
Fijne, fijne kouwe kleren.
Wat een rust in mijn hoofd, toen ik gisteren op mijn bank plofte.
En vandaag zelfs spierpijn toen ik wakker werd.
Oh.
En koppijn.
Want het lijkt me ook niet gezond.
Ineens zoveel ruimte onder die knot op mijn hoofd.
Dus, hup! Aan het werk.
Ik ga maar weer eens verslagen typen.






